3.1Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Op 14 oktober 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie verstrekt:
“(…) this Regional Court in Gdańsk, Criminal Division IV, informs in line with what has already been stated in attachment D, present at the appellate hearing on 12/08/2022, case ref. V Ka 1231 /22, was the defence counsel of the sentenced. It was barrister Pawel Dunst, the same who represented the sentenced in the proceedings before the District Court in Kartuzy.”
Op 24 oktober 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"In response to the inquiry of October 21, 2025, this Regional Court in Gdańsk, Criminal Division IV informs, that convicted [de opgeëiste persoon] received all appropriate instructions during the preparatory proceedings, including an obligation [sic] to indicate the correspondence address in Poland, where he agreed to receive correspondence. He was also instructed to notify of any change of address and that failure to collect correspondence would be deemed to have been effectively served, and the court would be able to conduct hearings in his absence. This is a mandatory instruction delivered to all suspects.
These instructions apply to the entire criminal proceedings, as mentioned in the introductory part of the instructions delivered to the suspect, and therefore to every phase of the trial, including the appeal proceedings. Therefore, since [de opgeëiste persoon] received these instructions (as he acknowledged receipt with his signature), it should be assumed, that he was aware of them.
It should be noted that earlier, during the proceedings before the District Court in Kartuzy in case II K 235/20, he stopped receiving mail sent to the address he provided.
A summon sent by the Regional Court in Gdańsk about the date of the appeal hearing in case V Ka 1231/22 was also sent to the address previously provided by [de opgeëiste persoon] , but he did not receive it, too."
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure in hoger beroep waardoor hij zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. Uit de aanvullende informatie van 24 oktober 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon de oproep voor de zitting niet heeft ontvangen. Nu niet is gebleken dat hij persoonlijk is gedagvaard of anderszins op de hoogte is gesteld van de behandeling in hoger beroep, noch dat hij is vertegenwoordigd door een daartoe gemachtigd advocaat, is niet voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon zich heeft onttrokken aan het strafproces. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de procedure omdat hij in eerste aanleg met zijn advocaat aanwezig is geweest bij drie zittingen. De oproep voor de behandeling in hoger beroep is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres verstuurd. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen en geen adreswijzigingen doorgegeven.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.De rechtbank toetst daarom alleen het arrest van 12 augustus 2022 (kenmerk: V Ka 1231/22) aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht hiervoor het volgende van belang.
Uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure omdat hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten en bij de zittingen in eerste aanleg op 30 juli 2020, 3 december 2020 en 17 mei 2021 aanwezig is geweest. Verder blijkt uit de aanvullende informatie van 24 oktober 2025 dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen waarin hij is gewezen op de verplichting om gedurende de hele procedure, inclusief de procedure in hoger beroep, adreswijzigingen aan de autoriteiten door te geven en de gevolgen van het niet doorgeven van een wijziging. Het lag dan ook op de weg van de opgeëiste persoon om op het opgegeven adres de post in de gaten te houden. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon ter zitting dat hij de oproep heeft ontvangen, is onvoldoende om de juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit in twijfel te trekken. Op grond van deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon impliciet afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, dan wel dat hij kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Het verweer wordt verworpen.