Beoordeling door de rechtbank
10. Eiser woont op het adres [adres 1] in Uithoorn. [derde partij] woont op het adres [adres 2] in Uithoorn. Op het perceel van eiser staan een aantal bouwwerken op korte afstand van het perceel van [derde partij] .
11. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek van [derde partij] heeft een controle plaatsgevonden op het perceel van eiser. Tijdens deze controle hebben toezichthouders geconstateerd dat op het perceel van eiser vier bouwwerken zijn gebouwd zonder de vereiste omgevingsvergunning(en) (hierna tezamen: de bouwwerken). De bouwwerken zijn gebouwd in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in samenhang met artikel 2, derde lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Volgens het college leveren de bouwwerken de volgende twee overtredingen op:
overtreding 1:drie bouwwerken (serre, garage en overkapping) mogen niet vergunningsvrij worden gebouwd omdat de maximaal vergunningsvrij te bebouwen oppervlakte is overschreden met 28,25 m2; en
overtreding 2:één bouwwerk (overkapping) mag niet vergunningsvrij worden gebouwd omdat het perceel waarop het bouwwerk staat de bestemming ‘groen’ heeft.
12. Met het primaire besluit heeft het college – per overtreding – een last onder dwangsom opgelegd aan eiser. De last houdt – in het kort – in dat eiser de overtredingen moet (doen) beëindigen voor 15 augustus 2024 en beëindigd moet (doen) houden, op straffe van een dwangsom van € 1.500,- per constatering per week met een maximum van € 6.000,- per overtreding.
13. Het college heeft het primaire besluit in het bestreden besluit gehandhaafd, waarbij de uiterlijke termijn voor het (doen) beëindigen van de overtreding naar 22 november 2024 is aangepast. Bij e-mail van 25 november 2024 aan eiser heeft het college deze termijn nogmaals aangepast naar zes weken na de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter.
14. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat het verzoek om handhaving van de Wabo is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet de Wabo van toepassing tot het besluit op dat verzoek om handhaving onherroepelijk is.
15. Volgens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: (a) het bouwen van een bouwwerk, of (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Volgens artikel 2, derde lid, van Bijlage II van het Bor, is een omgevingsvergunning voor deze activiteiten niet nodig, als deze betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in het achtererfgebied, en mits wordt voldaan aan de daarin verder vermelde eisen.
16. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. De bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Overtredingen en bevoegdheid college
17. Met het bestreden besluit heeft het college beslist – in het kort – dat sprake is van twee overtredingen. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd en het bestaan van de overtredingen ten tijde van het primaire besluit ook niet betwist. Hiermee staat vast dat het college op grond van artikel 125 van de Gemeentewet bevoegd was om handhavend op te treden.
Is [derde partij] belanghebbende?
18. Eiser heeft aangevoerd dat [derde partij] geen belanghebbende is bij het handhavingsverzoek. [derde partij] is weliswaar eigenaar van het naastliggende perceel, maar ondervindt van de bouwwerken geen gevolgen van enige betekenis althans alleen gevolgen die zo gering zijn dat een persoonlijk belang bij het handhavingsverzoek ontbreekt. Het perceel van [derde partij] wordt namelijk niet onderhouden, kan niet of nauwelijks worden betreden en wordt ook niet gebruikt. De aanwezigheid van de bouwwerken belemmeren [derde partij] bovendien niet in het gebruik van haar perceel. Omdat [derde partij] geen belanghebbende is, had het college het handhavingsverzoek buiten behandeling moeten stellen, aldus eiser.
19. Het college heeft – kort gezegd – aangevoerd dat eigenaren van naastliggende percelen in beginsel belanghebbende zijn en dat er dan van wordt uitgegaan dat er in beginsel feitelijke gevolgen van enige betekenis zijn.Het college mocht er daarom van uitgaan dat [derde partij] belanghebbende was. Eiser heeft dit onvoldoende weerlegd. [derde partij] is hoe dan ook belanghebbende omdat (i) zij op elk moment gebruik kon maken van haar perceel, (ii) zij het perceel ook daadwerkelijk heeft gebruikt en (iii) een aantal van de bouwwerken zichtbaar zijn vanaf haar perceel, aldus het college.
20. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is een belanghebbende degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet [derde partij] een objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat haar in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit.
21. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat belanghebbendheid bij besluiten op grond van de Wabo in beginsel wordt aangenomen bij bewoners van een perceel dat grenst aan het perceel waarover het betrokken besluit gaat. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn.Dit betekent dat zonder gevolgen van enige betekenis iemand geen persoonlijk belang heeft bij het besluit. Deze persoon onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van iemand zijn, moet er worden gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen van de activiteit die het besluit toestaat. Deze factoren dienen te worden bekeken in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
22. De rechtbank is van oordeel dat [derde partij] belanghebbende is bij het handhavingsverzoek. Het perceel van [derde partij] grenst direct aan dat van eiser, meerdere bouwwerken van eiser staan dicht bij deze grens, en vanaf haar perceel heeft [derde partij] daar veelal ook zicht op. [derde partij] heeft toegelicht dat het gebruikelijk was dat zij en haar echtgenote ten tijde van het primaire besluit enkele dagen per week aanwezig waren op het perceel en dat zij plannen hadden voor de bouw van een nieuwbouwwoning aldaar (die inmiddels in uitvoering is). Al deze omstandigheden maken dat [derde partij] gevolgen van enige betekenis ondervindt. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Had het college moeten afzien van handhaving gelet op het gelijkheidsbeginsel?
23. Eiser heeft – kort gezegd – aangevoerd dat het college handhavend heeft opgetreden in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Op twee omliggende percelen, gelegen te [adres 3] en [adres 4] te De Kwakel, zijn zonder toereikende omgevingsvergunning bijgebouwen geplaatst en bouwoppervlakten overschreden. Het college treedt daar echter niet handhavend tegen op. Het gaat om gelijke gevallen omdat de relevante planregels gelijkluidend zijn. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat het daarbij niet uitmaakt dat in het geval van eiser sprake is van een handhavingsverzoek, en niet van een ambtshalve besluit tot handhaving. Daarnaast vinden op het naastgelegen perceel van [derde partij] ook overtredingen plaats. [derde partij] maakt daarom met haar handhavingsverzoek misbruik van bevoegdheid. Gelet op dit alles had het college het handhavingsverzoek niet-ontvankelijk moeten verklaren of moeten afwijzen, aldus eiser.
24. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft onderbouwd met concrete gevallen die op relevante punten vergelijkbaar zijn met zijn situatie. Voor beide omliggende percelen geldt een ander bestemmingsplan en een ander planologisch regime. De planologische regimes zijn ook niet gelijkluidend omdat zowel de bouwvlakken als de plangrenzen verschillend zijn. Er is daarom al geen sprake van gelijke gevallen. Het college heeft de bevoegdheid, en in beginsel ook een plicht, tot handhaving bij overtredingen. De aanname van eiser dat het college handhaving achterwege zal laten bij eventuele overtredingen op de omliggende percelen is daarom onjuist. Het college is verder niet bekend met overtredingen op het perceel van [derde partij] . Bovendien leidt een mogelijke overtreding op haar aangrenzende perceel niet tot misbruik van recht door [derde partij] , aldus het college.
25. De rechtbank stelt voorop dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen kan slagen als sprake is van (in feitelijke en juridische zin) gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. In handhavingszaken betekent dit dat eiser aannemelijk moet maken dat zich in de directe omgeving voldoende vergelijkbare situaties voordoen waarin ook zonder vereiste vergunning bouwwerken zijn gebouwd, maar waarbij het college, hoewel het hiervan wel op de hoogte is, niet handhavend optreedt. De rechtbank oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt en licht dat hierna toe.
26. Niet is gebleken van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Daarbij acht de rechtbank allereerst van belang dat op het perceel van eiser een ander planologisch regime van toepassing is dan op de omliggende percelen. Het college heeft toegelicht dat de planologische regimes op relevante punten van elkaar verschillen. Zo wijken zowel de plangrenzen (waarmee plangebieden worden afgebakend) als de bouwvlakken (waarmee bijvoorbeeld wordt bepaald welke maximale bouwhoogtes en/of -oppervlaktes gelden binnen het plangebied) van elkaar af. Reeds hierom is geen sprake van gelijke gevallen.
27. Zelfs als de planologische regimes wel gelijk zouden zijn, heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van voldoende vergelijkbare overtredingen op de omliggende percelen. Bovendien heeft het college in het verweerschrift en ter zitting aangegeven dat er in beginsel handhavend wordt opgetreden als overtredingen worden geconstateerd op de omliggende percelen. Daarnaast ligt aan het bestreden besluit een handhavingsverzoek van [derde partij] ten grondslag. Het college heeft toegelicht dat ten aanzien van de omliggende percelen géén handhavingsverzoeken zijn gedaan. In die gevallen hoeft, anders dan bij eiser, in de bestuurlijke afweging geen rekening te worden gehouden met (de belangen van de indiener van) een dergelijk verzoek. Ook om die reden is de situatie van eiser niet vergelijkbaar met die van de omliggende percelen.
28. Verder is niet gebleken dat op het perceel van [derde partij] voldoende vergelijkbare overtredingen plaatsvinden of plaats hebben gevonden. Reeds daarom is geen sprake van gelijke gevallen. Dit kan daarom ook overigens geen grond vormen voor misbruik van bevoegdheid bij het door [derde partij] ingediende handhavingsverzoek.
29. Het voorgaande betekent dat het handhavend optreden tegen eiser niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt dus ook niet.