ECLI:NL:RBAMS:2025:8316

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
13/225073-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens oplichting

De rechtbank Amsterdam behandelde op 15 oktober 2025 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit tegen een persoon zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De opgeëiste persoon was niet aanwezig tijdens de zitting en werd niet vertegenwoordigd door zijn raadsman. De rechtbank stelde de identiteit vast en onderzocht de inhoud en rechtsgrond van het EAB.

Het EAB betreft een veroordeling tot een vrijheidsstraf van één jaar wegens oplichting, waarvan nog bijna twaalf maanden resteren. Aanvankelijk was de straf voorwaardelijk opgelegd, maar de tenuitvoerlegging werd bevolen omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de voorwaarden hield. De rechtbank oordeelde dat deze tenuitvoerlegging niet onder de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro valt.

De rechtbank constateerde dat het strafbare feit op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet staat en dat de straf in Polen ten minste drie jaar kan bedragen, waardoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht. Hoewel er structurele zorgen zijn over de Poolse rechtsorde, is geen concreet individueel gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces aangetoond.

Daarom voldoet het EAB aan de wettelijke eisen en staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg. De rechtbank besluit de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel wegens oplichting.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/225073-25
Datum uitspraak: 29 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 21 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 oktober 2024 door de
Sąd Okręgowy w Legnicy — III Wydział Karny[
District Court of Legnica — III Criminal Department], Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 2001,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar, heeft aangegeven niet gemachtigd te zijn de opgeëiste persoon te vertegenwoordigen en heeft dan ook geen verweer gevoerd.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
final verdict: Judgement of the Regional Court of Wrocław-Krzyki in Wroclaw of 24th June 2020 in case file No. V K 955/19 (date of becoming valid and final: 2nd July 2020).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf maanden en achtentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
In het EAB wordt bovengenoemd vonnis van 24 juni 2020 vermeld en een
ruling of the Regional Court [Polish: Sąd Rejonowy] of Złotoryja of 23rd January 2023 on institution of seeking by wanted notice (II Ko 937/22) in case file No. V K 955/19.
Het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) heeft op 19 september 2025 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de
ruling of the Regional Court of Złotoryja (II Ko 937/22), van 23 januari 2023. In de aanvullende informatie van 25 september 2025 is het volgende meegedeeld door de Poolse autoriteiten:
“ [opgeëiste persoon] was sentenced by a judgement rendered by the Regional Court [Polish: Są
d Rejonowy] of Wrocław - Krzyki in Wrocław on 24th June 2020, file ref. No. V K 955/19 to a penalty of 1 year of deprivation of liberty with conditional suspension of its execution for a probation period of 4 years, of which execution was ordered next by a ruling of the Regional Court [Polish: Sąd Rejonowy] of Złotoryja on 12 July 2022 made in case II Ko 93722. A ruling of 23rd January 2023 refers to an order to search the sentenced person [opgeëiste persoon] by a wanted notice because he did not come to the penal institution to serve his penalty of deprivation of liberty.”
Het IRC heeft aanvullende vragen gesteld op 30 september 2025, waarop het volgende antwoord is gekomen van de Poolse autoriteiten van 7 oktober 2025:
“With reference to the letter of 2nd October 2025, this Regional Court [Polish: Sąd Rejonowy] of Złotoryja II Criminal Department in case II Ko 937/22 (III Kop 83/24) informs you kindly that the ruling which ordered the enforcement of the sentence with regard to the sentenced person [opgeëiste persoon] , was made due to this reason that he was evading the court probation officer’s supervision.”
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat.
Oordeel van de rechtbank
Uit de aanvullende informatie van 25 september 2025 volgt dat de vrijheidsstraf aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon was opgelegd. Bij beslissing van
the Regional Court of Złotoryjavan 23 januari 2023 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [4] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro.
Uit de aanvullende informatie van 7 oktober 2025 volgt dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is bevolen omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de voorwaarden had gehouden. Er is aldus geen sprake van een veroordeling wegens een nieuw strafbaar feit die aan de beslissing tot tenuitvoerlegging ten grondslag ligt.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 23 januari 2023 is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [5] Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy w Legnicy — III Wydział Karny[
District Court of Legnica — III Criminal Department], Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.
6.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
7.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).