ECLI:NL:RBAMS:2025:8263

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
AWB - 25 _ 1629
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 2:14 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen aanmaning na naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens juiste bekendmaking via MijnOverheid

De invorderingsambtenaar van de gemeente Amsterdam legde op 11 september 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op aan eiser. Na uitblijven van betaling zond de invorderingsambtenaar op 30 oktober 2024 een aanmaning met aanmaningskosten. Eiser maakte bezwaar tegen deze aanmaning, stellende dat de naheffingsaanslag niet op juiste wijze kenbaar was gemaakt, omdat deze niet in de digitale berichtenbox van MijnOverheid zou zijn geplaatst en hij geen e-mailnotificatie had ontvangen.

De rechtbank overwoog dat een besluit niet in werking treedt voordat het bekend is gemaakt en dat elektronische verzending mogelijk is indien de geadresseerde daarvoor kenbaar heeft gemaakt bereikbaar te zijn. De invorderingsambtenaar toonde aan dat eiser via de verzendadministratie elektronisch bereikbaar was en dat de naheffingsaanslag in de berichtenbox was geplaatst. Eiser had geen feiten aangevoerd die het vermoeden van ontvangst ontzenuwden.

De rechtbank verwierp het verweer dat het ontbreken van een e-mailnotificatie tot niet-bekendmaking zou leiden, omdat eiser zelf had gekozen voor elektronische bereikbaarheid en zelf verantwoordelijk was voor het controleren van zijn berichtenbox of het aanzetten van e-mailnotificaties. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanmaning na naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard omdat de aanslag rechtsgeldig elektronisch is bekendgemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1629

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach)
en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder

( [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft aan eiser op 11 september 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Omdat eiser deze naheffingsaanslag niet heeft betaald, heeft de invorderingsambtenaar op
30 oktober 2024 een aanmaning aan eiser gestuurd en daarbij aanmaningskosten in rekening gebracht.
Met een uitspraak op bezwaar van 29 januari 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de invorderingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen het besluit van 30 oktober 2024 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. Eiser en zijn gemachtigde zijn – zonder voorafgaande kennisgeving – niet verschenen. De invorderingsambtenaar heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen:

1. Volgens eiser is er ten onrechte een aanmaning aan hem gestuurd wegens het niet betalen van de naheffingsaanslag, want de invorderingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag volgens eiser nooit op de juiste wijze kenbaar gemaakt. Volgens eiser blijkt uit de stukken niet dat de naheffingsaanslag in de digitale berichtenbox van MijnOverheid is geplaatst en is ook niet duidelijk of die berichtenbox met terugwerkende kracht kan worden aangepast. Eiser stelt dat hij ook niet van de naheffingsaanslag op de hoogte is gebracht via een e-mailnotificatie of vergelijkbare melding. Daarom kan niet zonder meer worden volgehouden dat de naheffingsaanslag eiser heeft bereikt. [1] Van eiser kan niet worden verwacht dat hij iedere dag inlogt. Juist hierom verlangt de Centrale Raad van Beroep een e-mailnotificatie. Doordat eiser die niet heeft ontvangen is niet meer te achterhalen hoe het zit met de melding. Dat moet volgens eiser in zijn voordeel uitpakken. [2]
2. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:40 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Uit artikel 3:41, eerste lid, van de Awb volgt dat bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. In artikel 2:14, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch kan verzenden, voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.
3. De invorderingsambtenaar heeft de verzendadministratie overgelegd en toegelicht dat hieruit blijkt dat eiser heeft aangegeven elektronisch bereikbaar te zijn en dat de naheffingsaanslag in de berichtenbox van eiser is geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de invorderingsambtenaar dat met de overgelegde verzendadministratie voldoende aannemelijk gemaakt. Zoals de heffingsambtenaar op de zitting heeft toegelicht blijkt uit de overgelegde verzendadministratie ook dat aan eiser tientallen andere naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn verzonden en dat veel van die aanslagen ook door eiser zijn betaald. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het vermoeden van de ontvangst van de naheffingsaanslag ontzenuwen.
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de aanslag eiser niet heeft bereikt, omdat de heffingsambtenaar eiser niet van het bestaan van de naheffingsaanslag op de hoogte heeft gebracht via een emailnotificatie of vergelijkbare melding. Zoals verweerder onbetwist heeft toegelicht heeft eiser er namelijk zelf voor gekozen om via de Berichtenbox elektronisch bereikbaar te zijn voor de overheid (de zogenaamde Opt-in). Eiser kan er vervolgens ook zelf in de digitale omgeving voor kiezen om wel of geen emailnotificatie te ontvangen. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om, als hij er zelf eenmaal voor kiest zijn berichtenbox open te stellen voor bepaalde berichten, ook zelf te controleren op nieuwe e-mailberichten of de emailnotificatie aan te zetten. Als eiser dat verzuimt, moet dat voor zijn rekening en risico komen. [3]
5. Het beroep is ongegrond. Bij die uitkomst is er geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten of van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M. de Buur, griffier
.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 6 november 2025.
grifier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174.
2.Eiser verwijst ook naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1273 en de uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven van 5 november 2024, ECLI:NL:CBB:2024:775.
3.Vergelijk de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag van 23 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2091, van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1546 en van het Gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2020, ECLI:NL:2020:2891.