ECLI:NL:RBAMS:2025:7958

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
C/13/753678 / FA RK 24-4588
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en vermogensrechtelijke afwikkeling naar Iraans recht

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 22 oktober 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man, die op 26 december 2018 in Teheran, Iran, zijn gehuwd. De vrouw heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken en om nevenvoorzieningen te treffen met betrekking tot de zorg voor hun minderjarige kind, de hoofdverblijfplaats van het kind, en alimentatie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vrouw en de man beide de Nederlandse nationaliteit bezitten en dat Nederlands recht van toepassing is op de echtscheiding. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vrouw zal zijn. De rechtbank heeft ook een zorgregeling vastgesteld, waarbij de man omgang heeft met het kind op vrijdag en zaterdag. Daarnaast heeft de rechtbank de alimentatie voor het kind vastgesteld op € 61,- per maand, met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2024. De man heeft ook verzocht om partneralimentatie, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw een bedrag van € 737,- per maand aan de man moet betalen, ingaande op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De rechtbank heeft verder de verdeling van de woning en de bijbehorende hypothecaire lening geregeld, waarbij de vrouw de mogelijkheid heeft om de woning over te nemen. De rechtbank heeft ook de verzoeken van partijen met betrekking tot de bruidsgave en de vermogensrechtelijke afwikkeling afgewezen, waarbij is geoordeeld dat de bruidsgave niet kan worden geëist omdat de echtscheiding door de vrouw is aangevraagd zonder wettelijke grond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummers: C/13/753678 / FA RK 24-4588
C/13/769485 / FA RK 24-3757
Beschikking d.d. 22 oktober 2025 betreffende de echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. D. Rezaie, gevestigd te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A. Hashem Jawaheri, gevestigd te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 9 juli 2024;
- het aanvullend verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 24 oktober 2024;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op
31 december 2024;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op
7 februari 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van de man, van 24 mei 2025;
- het aanvullende verzoekschrift van de man, van 3 augustus 2025;
- het F9-formulier met bijlage van de vrouw, van 9 augustus 2025;
- het F9-formulier met gewijzigde en aanvullende verzoeken van de vrouw, van
9 augustus 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2025.
Bij die gelegenheid zijn verschenen: partijen bijgestaan door hun advocaten en voor ieder van partijen een tolk.
1.3.
Gelet op de leeftijd van de minderjarige [minderjarige] is zij niet gehoord.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 26 december 2018 te Teheran, Iran.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
2.3.
Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting de Iraanse nationaliteit en hebben deze nog steeds. Partijen en [minderjarige] hebben daarnaast ook de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft in juli 2023 de Nederlandse nationaliteit verkregen en de man in januari 2024.
2.4.
De vrouw heeft zich in mei 2017 in Nederland gevestigd. De man heeft zich in april 2019 in Nederland gevestigd.
2.5.
Bij voorlopige voorzieningen, vastgelegd bij beschikking van deze rechtbank van
30 mei 2025 (zaak- en rekestnummer: C/13/767741 / FA RK 25-2789), is bepaald dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd. Verder is bepaald dat de man en [minderjarige] elke vrijdag van 15:00 uur tot zaterdagmiddag 15:00 uur omgang hebben waarbij de man [minderjarige] ophaalt op vrijdag en de vrouw [minderjarige] ophaalt op zaterdag, dat de man minimaal één dag voorafgaand aan het eerste contactmoment de vrouw informeert over zijn verblijfadres en eventuele huisgenoten. Daarnaast is bepaald dat de man en [minderjarige] elke maandag en woensdag om 17:30 uur kort zullen videobellen en de vrouw dit contact tot stand zal brengen. Het verzoek van de man tot verdeling van de schoolvakanties bij helfte is afgewezen.

3.Het verzoek, het verweer en het zelfstandig verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt - bij gewijzigd verzoek - de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
II. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen;
III. een zorg- en opvoedregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen waarbij de man [minderjarige] elke vrijdag om 15:00 uur ophaalt van school (of bij de woning van de vrouw als [minderjarige] die dag niet naar school gaat) en de vrouw [minderjarige] op zaterdagmiddag om 15:00 uur weer ophaalt bij de man thuis;
IV. te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 61,- per maand dient te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
V. de wijze van verdeling van de woning als volgt te gelasten:
 partijen zullen, voor zover de taxatie niet reeds vóór de beschikking van de rechtbank heeft plaatsgevonden, binnen twee weken na de datum van de beschikking van de rechtbank gezamenlijk aan een volgens het spoorboekje gekozen taxateur opdracht geven om de echtelijke woning bindend te taxeren tegen de marktwaarde per peildatum;
 de vrouw krijgt, te rekenen vanaf de datum waarop het door de taxateur af te geven bindende taxatierapport gereed is, drie maanden de tijd om aan te tonen dat zij in staat is om de man uit te kopen tegen de taxatiewaarde, waarna de vrouw zes maanden de tijd krijgt om de woning over te nemen, waarbij de kosten voor de goederenrechtelijke levering van de woning aan de vrouw voor rekening van de vrouw zullen komen;
 indien de vrouw niet in staat is om de man uit te kopen alsdan zal de woning door partijen te koop worden gezet via een door partijen gekozen verkoopmakelaar, waarbij de opdracht tot verkoop binnen twee weken nadat kenbaar is geworden dat de vrouw de man niet kan uitkopen, dienen te geven en daarbij de makelaar zullen volgen in het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning, waarbij alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, eerst van de verkoopopbrengst zullen worden voldaan;
VI. te bepalen dat de man inzage dient te geven in zijn bankrekeningen en de saldi daarvan per peildatum tot aan een periode van één jaar daaraan voorafgaand;
VII. te bepalen dat de man een bedrag van € 6.562,56 uit hoofde van het vergoedingsrecht van de vrouw op hem aan haar dient te vergoeden;
VIII. te bepalen dat de man een bedrag van € 887,- uit hoofde van de belastingschuld van partijen voor de te veel ontvangen hypotheekrenteaftrek over 2024 aan de vrouw dient te vergoeden;
IX. de man te veroordelen de overeengekomen bruidsgave aan de vrouw te voldoen door 300 volle (1) Bahar-e Azadi gouden munten dan wel de waarde daarvan ad € 205.980,- aan de vrouw te overhandigen respectievelijk te vergoeden, te voldoen binnen vier weken na de datum van de ten deze te wijzen beschikking;
X. de man te gelasten om binnen vier weken na de datum van het ten deze te wijzen vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het bewerkstelligen van de echtscheiding van partijen naar religieus (islamitisch) en Iraans recht doordat de man onder andere doch niet uitsluitend al dan niet samen met de vrouw bij een in Nederland gevestigde imam/geestelijke verschijnt en daarna bij de Iraanse ambassade te Den Haag en zijn toestemming verleent voor het uitspreken van de talaq en alle andere in dit kader noodzakelijke handelingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,-.
3.2.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw, behoudens het verzoek tot echtscheiding. De man verzoekt - bij gewijzigd verzoek -zelfstandig:
I. een zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] in de oneven weken op vrijdag uit school tot 18:00 uur en op zondag van 10:00 tot 15:00 uur bij de man verblijft;
II. te bepalen dat de vrouw aan de man een bijdrage van € 2.040,- per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud;
III. te bepalen dat binnen twee weken na de datum van de te wijzen beschikking opdracht dient te worden gegeven om de woning te taxeren en dat de vrouw binnen drie maanden na de datum van het taxatierapport alle handelingen dient te verrichten om de woning over te nemen, tegen betaling van de helft van de overwaarde aan de man, bij het uitblijven waarvan de vrouw binnen zes maanden medewerking dient te verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde partij tegen de getaxeerde waarde;
IV. te bepalen dat de man na de te wijzen echtscheidingsbeschikking negen maanden heeft om de woning te ontruimen;
V. de inboedel wordt toegedeeld aan de vrouw en dat de vrouw daarvoor een vergoeding van € 5.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen vergoeding, aan de man dient te betalen, of dat de inboedel tussen partijen dient te worden verdeeld;
VI. de sieraden worden toegedeeld aan de vrouw en dat de vrouw daarvoor een vergoeding dient te betalen van € 10.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen vergoeding, aan de man dient te betalen;
VII. te bepalen dat tussen partijen pensioenverevening dient plaats te vinden;
VIII. te bepalen dat de vrouw inzage dient te geven in haar bankrekeningen en de saldi daarvan op de peildatum tot aan de periode van een jaar daaraan voorafgaand;
IX. te bepalen dat de vrouw bij het aanvragen van de Islamitische echtscheiding over de status van de bruidsgave dient te vermelden dat zij ter compensatie van de man afziet van haar aanspraak op de bruidsgave.
3.3.
De vrouw voert verweer op de zelfstandige verzoeken van de man en concludeert tot afwijzing van zijn verzoeken.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Echtscheiding
4.1.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.2.
Aangezien ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
4.1.3.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Ontvankelijkheid
4.1.4.
Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Aangezien het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
4.1.5.
Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat het partijen niet is gelukt om tot afspraken te komen omtrent het ouderschapsplan. Aangezien de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
4.1.6.
De vrouw stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man voert geen verweer.
De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
4.2.
Medewerking ontbinding religieus huwelijk
4.2.1.
De vrouw verzoekt om de man te gelasten binnen vier weken na de datum van de beschikking zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking dient te verlenen aan het bewerkstelligen van de echtscheiding van partijen naar religieus (islamitisch) en Iraans recht doordat de man onder andere, doch niet uitsluitend, al dan niet samen met de vrouw bij een in Nederland gevestigde imam/geestelijke verschijnt en daarna bij de Iraanse ambassade te Den Haag en zijn nodige toestemming verleent voor het uitspreken van de
talaqen alle andere in dit kader noodzakelijke handelingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,-.
4.2.2.
De man voert verweer en verzoekt tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. Hij verzoekt te bepalen dat de vrouw bij het aanvragen van de Islamitische echtscheiding over de status van de bruidsgave dient te vermelden dat zij ter compensatie van de man afziet van haar aanspraak op de bruidsgave.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.3.
Op grond van artikel 4, lid 3 Rv in samenhang met artikel 827 lid 1, aanhef en onder e, Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe van dit verzoek kennis te nemen.
4.2.4.
De grondslag van het verzoek tot medewerking is een onrechtmatige daad. Op grond van artikel 4 lid 1 Rome II-Verordening (nr. 864/2007) in samenhang met artikel 10:159 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een onrechtmatige daad beheerst door het recht van de staat waar de schade zich voordoet. De schade van de vrouw (beperking in haar verdere levensmogelijkheden) doet zich voor in Nederland, omdat de vrouw in Nederland woont. Nederlands recht is dus van toepassing op de vordering van de vrouw.
Inhoudelijke beoordeling
4.2.5.
Tussen partijen is niet geschil dat het uitspreken van de echtscheiding door de Nederlandse rechter en de inschrijving daarvan in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand niet tot gevolg heeft dat zij ook naar Iraans recht zijn gescheiden. Er zal derhalve nog een ontbinding van het religieuze huwelijk plaats dienen te vinden.
4.2.6.
De vrouw stelt dat indien het islamitische huwelijk blijft voortbestaan er inbreuk wordt gemaakt op de rechten en vrijheden van de vrouw. Zo kan zij niet opnieuw een relatie aangaan, haar sociale omgeving blijft haar beschouwen als zijnde ‘gehuwd’ en blijft zij verplicht de echtgenoot te gehoorzamen. De vrouw kan de echtscheiding naar islamitisch recht niet afdwingen, maar de man dient de
talaquit te spreken. Zolang dat niet is gebeurd loopt de vrouw het risico bij de minste verdenking van een nieuwe relatie dat zij aan eerwraak en strafvervolging wordt blootgesteld.
4.2.7.
De man stelt dat hij, voor zover de echtscheiding naar Nederlands recht wordt uitgesproken, bereid is zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de religieuze echtscheiding middels het uitspreken van de
talaqmaar wel onder de voorwaarde dat de vrouw nadrukkelijk vermeldt dat het verzoek op haar initiatief is en dat de vrouw omtrent de bruidsgave dient te vermelden dat zij hiervan afziet ter compensatie van de medewerking van de man.
4.2.8.
De rechtbank stelt vast dat beide partijen bereid zijn over te gaan tot het doorlopen van de procedure om de ontbinding van het religieuze huwelijk te bewerkstelligen. Zij twisten echter over de voorwaarden waaronder dit dient te geschieden omdat de vrouw geen
khulechtscheiding wenst, althans haar (resterende) aanspraak op de bruidsgave niet wenst prijs te geven. De rechtbank is van oordeel dat met het afgeven van de onderhavige echtscheidingsbeschikking waarin, zoals hierna uiteen wordt gezet, tevens een beslissing wordt genomen over de financiële gevolgen van de echtscheiding, inclusief de aanspraak van de vrouw op (het resterend deel van) de bruidsgave, de voorwaarden waaronder de ontbinding van het religieuze huwelijk kan plaatsvinden genoegzaam vast zijn komen te staan. Daarmee ontvalt voor beide partijen het belang bij hun verzoeken. Gelet hierop zal de rechtbank de verzoeken afwijzen.
4.3.
Hoofdverblijfplaats
4.3.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar zal zijn.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.3.2.
Aangezien de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
4.3.3.
De man voert geen verweer. De rechtbank zal in overeenstemming met het verzoek van de vrouw beslissen, aangezien dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Daarbij is niet gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.
4.4.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
4.4.1.
De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij de man [minderjarige] elke vrijdag om 15:00 uur ophaalt van school (of bij de woning van de vrouw als [minderjarige] die dag niet naar school gaat) en de vrouw [minderjarige] op zaterdagmiddag om 15:00 uur weer ophaalt bij de man thuis.
4.4.2.
De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] in de oneven weken van vrijdag van school tot 18:00 uur en zondag van 10:00 uur tot 15:00 uur bij de man verblijft.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.4.3.
Aangezien de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling
van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.4.
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat de door haar verzochte regeling in het belang van [minderjarige] is. Volgens de vrouw verloopt de voorlopige zorgregeling immers goed, behalve de overnachtingen, en kan deze daarom worden omgezet in een definitieve zorgregeling. [minderjarige] heeft nog niet bij de man overnacht. Zij acht het echter wel in het belang van de [minderjarige] dat er een overnachting wordt opgenomen in de beschikking, zodat wel kan worden toegewerkt naar een overnachting van vrijdag op zaterdag. De vrouw wenst verder een regeling die iedere week plaatsvindt en niet, zoals de man nu verzoekt, om de week. De vrouw vindt het immers belangrijk dat de man en [minderjarige] elkaar regelmatig zien. Voor wat betreft de vakanties wenst de vrouw dat de zorgregeling doorloopt.
4.4.5.
De man stelt daar tegenover dat hij de door hem verzochte regeling in het belang van [minderjarige] vindt, omdat hij het in haar belang acht dat zij een band met haar vader kan opbouwen. Hij betwist dat er bij hem sprake is van medische beperkingen die de veiligheid van [minderjarige] in het gedrang brengen dan wel anderszins de omgang tussen [minderjarige] en de man kunnen beperken. Ook betwist hij dat er sprake is van een gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal. In ieder geval kan dit volgens de man geen grond zijn om de omgang tussen hem en [minderjarige] te beperken. De man is goed in staat om voor [minderjarige] te zorgen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man nog aangegeven dat de voorlopige zorgregeling goed verloopt, behalve de overnachtingen, omdat [minderjarige] niet bij hem wil blijven slapen. De man wil [minderjarige] niet verdrietig maken en heeft daarom aangegeven bij de vrouw dat het goed is dat [minderjarige] niet blijft overnachten omdat [minderjarige] hier niet aan toe is. De man wil bovendien niet de zorg voor [minderjarige] op zaterdag hebben omdat hij de zaterdag voor zichzelf wil om boodschappen te doen of andere persoonlijke dingen te regelen. Hoewel hij een zo groot mogelijke rol wil spelen als mogelijk in het leven van [minderjarige] , verzoekt hij enkel om in de oneven weken een zorgregeling vast te stellen op vrijdag en zondag voor een beperkt aantal uren. Zijn woonomgeving laat het niet toe om meer zorg voor haar te hebben, aldus de man.
4.4.6.
De rechtbank acht de door de man verzochte zorgregeling te beperkt en daarom niet in het belang van [minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] en haar ontwikkeling is dat zij wekelijks contact met haar vader heeft. De rechtbank zal daarom een uitgebreidere zorgregeling vaststellen dan de man wenst. De regeling moet echter wel haalbaar zijn voor de man. Aangezien de man nu geen zelfstandige woonruimte heeft, is een overnachting van [minderjarige] bij de man op dit moment nog niet goed haalbaar. De rechtbank zal daarom bepalen dat [minderjarige] voorlopig iedere vrijdag uit school tot 18.00 uur bij de man zal zijn en om de week op zaterdag van 10.00 uur tot 15.00 uur. Zodra de man zelfstandige woonruimte heeft gevonden, zal de zorgregeling met overnachting worden en zal [minderjarige] in de ene week van vrijdag uit school tot zaterdag 15.00 uur bij de man verblijven en in de andere week op vrijdag uit school tot 18.00 uur. Verder zal de rechtbank de vrouw volgen voor wat betreft het halen en brengen en conform beslissen.
4.5.
Kinderalimentatie
4.5.1.
De vrouw verzoekt bij gewijzigd verzoek een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de [minderjarige] (hierna ook: kinderbijdrage) van € 61,- per maand vast te stellen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De man voert verweer en geeft aan in te kunnen stemmen met een te betalen kinderbijdrage van €50,- per maand.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.5.2.
Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.
4.5.3.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Inhoudelijke beoordeling
4.5.4.
De rechtbank beslist dat de man aan de vrouw moet betalen:
  • een bedrag van € 50,- per maand over de periode van 1 november 2024 tot de datum van de onderhavige beschikking;
  • een bedrag van € 61,- per maand met ingang van de datum van de onderhavige beschikking.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekening rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Ingangsdatum
4.5.5.
Voordat de rechtbank gaat rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken voor de berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
4.5.6.
De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of bij een wijziging van de alimentatie. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.
4.5.7.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum 1 november 2024, zijnde de maand direct volgend op de datum van 23 oktober 2024 waarop de vrouw haar verzoek voor kinderalimentatie bij de rechtbank heeft ingediend, omdat de man er vanaf dit moment rekening mee had kunnen houden dat hij een kinderbijdrage zou moeten betalen. Vlak voor de mondelinge behandeling van 18 augustus 2025 heeft de vrouw haar verzoek verhoogd wegens gewijzigde omstandigheden. Om die reden zal de rechtbank de bijdrage opnieuw berekenen met ingang van de datum van de onderhavige beschikking.
De behoefte van [minderjarige]
4.5.8.
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige] vast op een bedrag van € 800,- per maand in 2024. Zij heeft dat als volgt berekend.
4.5.9.
De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Hierbij zal de rechtbank uitgaan van de inkomens van de ouders in 2024, zijnde het laatste jaar dat partijen bij elkaar waren.
4.5.10.
Voor het inkomen van de man in 2024 gaat de rechtbank uit van de jaaropgave over 2024. Daaruit volgt dat de man in loondienst van 11 maart 2024 tot en met 21 december 2024 een bedrag van € 27.486,- aan loon heeft ontvangen. Uit de jaaropgaaf 2024 van het UWV volgt dat de man in 2024 een Ziektewetuitkering van € 6.969,- heeft ontvangen. In totaal heeft de man in 2024 aldus € 34.455,- bruto inkomen ontvangen. Verder wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man bedroeg dan in 2024 € 2.676,- per maand.
4.5.11.
Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van de salarisspecificaties van september, oktober en november 2024 waarop een jaarinkomen staat vermeld van € 78.007,- bruto per jaar. Verder wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting en arbeidskorting. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw bedroeg dan in 2024 € 4.326,- per maand.
4.5.12.
Uit het hiervoor vermelde volgt dat het NBGI van de ouders in 2024 € 7.002,- per maand bedroeg.
4.5.13.
Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [minderjarige] werd uitgegeven en wat dus de behoefte van [minderjarige] is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat de ouders bij een NBGI van € 7.002,- gemiddeld € 880,- per maand uitgaven voor [minderjarige] in 2024. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat € 937,- in 2025 per maand.
Draagkracht van de ouders
4.5.14.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige] .
4.5.15.
Bij een netto besteedbaar inkomen dat hoger is dan € 2.065,- per maand in 2024 en € 2.125,- in 2025 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. Partijen worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2024 is dat een bedrag van € 1.270,- per maand en in 2025 € 1.310,-.
Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit voor 2024:
70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.270)]. Voor 2025 ziet de berekening er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].
Draagkracht van de man
4.5.16.
Tussen partijen is in geschil of bij de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van zijn huidige inkomen dan wel van een hogere, aan hem toe te rekenen verdiencapaciteit.
4.5.17.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie bij de bepaling van de draagkracht in beginsel wordt uitgegaan van het feitelijke inkomen van de onderhoudsplichtige. Slechts indien aannemelijk is dat deze in staat moet worden geacht een hoger inkomen te verwerven dan hij daadwerkelijk geniet, kan rekening worden gehouden met een hogere verdiencapaciteit. Daarbij geldt dat van de onderhoudsplichtige mag worden verwacht dat hij zich tot het uiterste inspant om zijn draagkracht te vergroten.
4.5.18.
De vrouw stelt dat de man in staat moet worden geacht een hoger inkomen te verdienen, aangezien hij slechts vier dagen per week werkt, terwijl hij jong, gezond en ingeburgerd is, de Nederlandse taal spreekt en zowel als boekhouder als vrachtwagenchauffeur meer zou kunnen verdienen dan hij nu doet. De man betwist deze stellingen gemotiveerd. Hij voert aan dat hij al jaren vier dagen per week werkt, dat zijn huidige inkomen reeds hoger is dan ten tijde van het huwelijk, dat hij vanwege een hormoonprobleem gedurende twee jaar in de Ziektewet heeft gezeten, en dat hij – ondanks dat probleem en zijn beperkte taalvaardigheid – inmiddels weer aan het werk is. De man stelt dat het hem, gelet op zijn gezondheidssituatie, niet lukt om meer dan vier dagen per week te werken. Hij betwist verder dat hij als boekhouder werkzaam is; hij werkt als administratief medewerker en heeft geen ervaring als vrachtwagenchauffeur.
4.5.19.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de man op dit moment in staat moet worden geacht een hoger inkomen te verwerven dan hij nu doet. De vrouw heeft haar stelling dat de man fulltime zou kunnen werken of als vrachtwagenchauffeur meer zou kunnen verdienen niet met concrete gegevens onderbouwd. Gelet op de medische situatie van de man, zijn beperkte ervaring en de omstandigheid dat hij al zijn arbeidsomvang en inkomen na de scheiding heeft vergroot, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een hogere verdiencapaciteit.
De rechtbank zal daarom bij de bepaling van de draagkracht van de man uitgaan van zijn feitelijke inkomen.
4.5.20.
Voor de berekening van de draagkracht van de man in 2024 gaat de rechtbank uit van hetzelfde inkomen als voor de berekening van de behoefte. Verder wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting en arbeidskorting. Het NBI is dan € 2.472,-. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2024 heeft de man een draagkracht van € 322,- per maand.
4.5.21.
Voor de berekening van de draagkracht van de man in 2025 gaat de rechtbank uit van de salarisspecificatie over mei 2025, waarop een bruto jaarinkomen van € 38.880,- staat vermeld. Verder wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting en arbeidskorting. Het NBI is dan € 2.738,-. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de man een draagkracht van € 425,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
4.5.22.
Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw verschillen partijen eveneens van mening over de vraag of moet worden uitgegaan van het huidige inkomen van de vrouw dan wel van een hogere, aan haar toe te rekenen verdiencapaciteit.
4.5.23.
De man stelt dat de vrouw haar inkomen in de aanloop naar de echtscheidingsprocedure heeft verlaagd. Volgens hem heeft zij haar arbeidsduur verminderd van een fulltime werkweek van veertig uur naar tweeëndertig uur per week, oftewel een volle werkdag minder. De man meent dat bij de berekening van haar draagkracht moet worden uitgegaan van het inkomen dat zij kan verdienen bij een werkweek van veertig uur. De vrouw voert aan dat van haar huidige inkomen moet worden uitgegaan omdat niet langer van haar gevergd kan worden dat zij 40 uur per week werkt. Zij staat vrijwel alleen voor de zorg van [minderjarige] die pas 5 jaar oud is.
4.5.24.
De rechtbank overweegt dat ook aan de zijde van de vrouw niet is gebleken dat zij in de gegeven omstandigheden in staat is om een hoger inkomen te verwerven dan zij nu verdient. De man heeft zijn stelling dat de vrouw haar arbeidsduur heeft verminderd zonder dat daarvoor een redelijke verklaring bestaat, niet nader onderbouwd. De rechtbank betrekt daarbij dat de vrouw na de echtscheiding grotendeels alleen de zorg draagt voor de vijfjarige dochter van partijen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een hoger inkomen dan het inkomen dat de vrouw feitelijk ontvangt op basis van een werkweek van tweeëndertig uur.
4.5.25.
Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw in 2024 gaat de rechtbank uit van hetzelfde inkomen als voor de berekening van de behoefte. Verder wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het NBI is dan € 4.777,-. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2024 heeft de vrouw een draagkracht van € 1.452,- per maand.
4.5.26.
Voor het inkomen in 2025 gaat de rechtbank uit van de salarisspecificatie over april 2025, waarop een bruto jaarinkomen van € 87.431,- bruto staat vermeld. De rechtbank brengt op dit inkomen in mindering gemiddeld 16 uur per maand onbetaald ouderschapsverlof, zijnde € 627,- bruto per maand. Verder wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting, arbeidskorting, het kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het NBI van de vrouw is dan € 4.701,- per maand. Volgens de hier draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de vrouw een draagkracht van € 1.478,- per maand.
De verdeling van de kosten
4.5.27.
Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben om in de kosten van hun kind te voorzien, berekent de rechtbank welk deel van die kosten ieder van hen voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de draagkrachtvergelijking genoemd. De rechtbank bepaalt het aandeel van ieder van de ouders in de behoefte van het kind naar rato van hun beider draagkracht.
4.5.28.
De behoefte van [minderjarige] bedraagt in 2024 € 880,- per maand. De man heeft in 2025 een draagkracht van € 322,- per maand en de vrouw € 1.452 per maand. De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 1.774,- per maand. Dit is voldoende om in de kosten te voorzien. Het aandeel van de man in de behoefte is € 160,- per maand en het aandeel van de vrouw is € 720,- per maand.
4.5.29.
Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 937,- per maand. De man heeft een draagkracht van € 425,- per maand en de vrouw een draagkracht van € 1.478,- per maand. De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt daarmee € 1.903,- per maand, hetgeen toereikend is om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Het aandeel van de man in de behoefte is € 209,- per maand en het aandeel van de vrouw is € 728,- per maand.
Zorgkorting
4.5.30.
De man maakt op de dagen dat [minderjarige] bij hem verblijft (en met name als zij bij hem blijft overnachten) kosten voor eten en drinken, energielasten et cetera: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – de kosten van [minderjarige] (de ‘behoefte). De rechtbank houdt daar rekening mee door de bijdrage van [minderjarige] te verlagen met een percentage van de behoefte of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.
4.5.31.
[minderjarige] is gemiddeld één volle dag per week bij de man. Partijen zijn het erover eens dat daarbij een zorgkorting past van 15% van de behoefte. In 2024 bedraagt de zorgkorting € 132,- per maand en met ingang van de datum van de onderhavige beschikking € 141,- per maand.
Conclusie
4.5.32.
Het voorgaande betekent dat de man in 2024 een bedrag van € 28,- per maand kan betalen en in 2025 een bedrag van € 68,- per maand. De man heeft echter aangegeven te kunnen instemmen met een bijdrage van € 50,- per maand. De rechtbank zal dit bedrag vaststellen over de periode 1 november 2024 tot en met de datum van de onderhavige beschikking. Ten overvloede merkt de rechtbank hierover op dat de periodieke betalingen die de man inmiddels heeft voldaan hierop uiteraard in mindering dienen te worden gebracht.
Hoewel de rechtbank heeft berekend dat de man met ingang van de datum van de onderhavige beschikking een bedrag van € 68,- per maand kan betalen, zal de rechtbank de bijdrage vaststellen op € 61,- per maand, aangezien niet een hoger bedrag kan worden toegewezen dan is verzocht.
Alimentatie vooruitbetalen
4.5.33.
De rechtbank beslist dat de man de kinderalimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
4.6.
Partneralimentatie
4.6.1.
De man verzoekt een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) vast te stellen van € 2.040,- per maand. De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de man.
Rechtsmacht en toepasselijk recht ten aanzien van de partneralimentatie
4.6.2.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.
4.6.3.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, aangezien de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Inhoudelijke beoordeling
4.6.4.
De man stelt dat hij na de echtscheiding over onvoldoende financiële middelen beschikt om in zijn eigen behoefte te voorzien. Volgens de man heeft de vrouw draagkracht om een bijdrage te voorzien.
4.6.5.
De vrouw betwist dat de man een aanvullende behoefte heeft, omdat de man zelf in zijn huwelijksgerelateerde behoefte zou moeten kunnen voorzien. Daarnaast betwist zij dat zij voldoende draagkracht heeft om de verzochte partneralimentatie te voldoen.
Ingangsdatum
4.7.
De partneralimentatie kan volgens de wet niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (bij de gemeente).
Huwelijksgerelateerde behoefte
4.7.1.
Bij de berekening van partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de man nodig heeft om zijn kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de man moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de man daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd. Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de zogenaamde ‘Hofnorm’. Die Hofnorm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren minus de kosten van de kinderen als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de Hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is.
4.7.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat er voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte kan worden aangesloten bij de Hofnorm. De rechtbank gaat bij het berekenen van de behoefte van de man uit van de welstand tijdens het huwelijk in de periode vóór verbreking van de feitelijke samenleving (Vgl. Hoge Raad van 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR: 2009:BI9288). De rechtbank gaat bij het berekenen van de behoefte van de man daarom uit van het peiljaar 2024, aangezien de man de woning heeft verlaten begin 2025.
4.7.3.
Zoals volgt uit voornoemde gegevens becijfert de rechtbank het netto-gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk op € 6.798,- per maand. De kosten van [minderjarige] zijn vastgesteld op € 880,- per maand in 2024. Na aftrek van de kosten van [minderjarige] , resteert een bedrag van € 5.918,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte kan worden gesteld op 60% van dit bedrag, zijnde € 3.551,- netto per maand in 2024. Geïndexeerd naar heden bedraagt deze behoefte € 3.782,-.
Aanvullende behoefte
4.7.4.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de man redelijkerwijs in staat is om zelf het hiervoor vermelde bedrag (€ 3.782,-.) te verdienen. Als de man niet in staat is om zelf het bedrag van de huwelijksgerelateerde behoefte te verdienen, dan is hij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de man om partneralimentatie toewijzen.
4.7.5.
De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor bij de beoordeling van de draagkracht van de man voor kinderalimentatie is overwogen, geen aanleiding om van een andere verdiencapaciteit uit te gaan. Ook bij de beoordeling van de behoefte van de man houdt de rechtbank daarom rekening met zijn huidige, feitelijke inkomen.
4.7.6.
Zoals hiervoor bij de draagkracht van de man voor kinderalimentatie is vermeld, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man € 2.738,- per maand in 2025.
4.7.7.
Bij een huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.782,- netto per maand, een netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.738,- en een bijdrage in de kosten van [minderjarige] van € 209,- resteert een aanvullende behoefte van (€ 3.782,- -/- € 2.738,- -/- € 209,-=) € 1.253,- netto per maand. Als de vrouw partneralimentatie betaalt, dan moet de man daarover nog belasting afdragen. De rechtbank berekent dat de man daarom een bedrag van € 2.461,- bruto per maand nodig heeft om in zijn huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.
De draagkracht van de vrouw
4.7.8.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de vrouw in de aanvullende behoefte van de man kan voorzien. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. De rechtbank stelt vast dat de vrouw een bedrag van € 737,- bruto per maand kan betalen. De rechtbank heeft dat als volgt berekend.
4.7.9.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen. Zoals hiervoor is besproken bij de draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie bedraagt het netto besteedbaar inkomen € 4.888,- per maand inclusief kindgebonden budget. Na aftrek van het kindgebonden budget blijft er € 4.701,- per maand over.
4.7.10.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de man. Daarvoor maakt de rechtbank net als bij de vaststelling van de draagkracht voor kinderalimentatie gebruik van de hiervoor vermelde zogenoemde ‘draagkrachtformule’. Voor het berekenen van partneralimentatie geldt dat 60 % van de ‘draagkrachtruimte’ beschikbaar is voor partneralimentatie. De overige 40% mag de vrouw vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 60% × [NBI – (0,3 × NBI + € 1.310)].
4.7.11.
Uitgaande van een netto besteedbaar inkomen ten behoeve van partneralimentatie van € 4.701,- is de draagkrachtruimte € 1.981,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. Dat betekent dat de vrouw een draagkracht heeft van € 1.189,- netto per maand.
4.7.12.
Kinderalimentatie gaat echter voor op partneralimentatie. Daarom brengt de rechtbank de kosten die de vrouw voor [minderjarige] maakt nog in mindering op het bedrag van € 1.189,- per maand. Bij de berekening van de kinderalimentatie heeft de rechtbank berekend dat de vrouw een bedrag van € 728,- per maand aan kosten voor [minderjarige] moet dragen. Er blijft dan (€ 1.189,-
-/- € 728,- =) € 461,- netto per maand over voor partneralimentatie.
4.7.13.
Als de vrouw partneralimentatie betaalt, dan mag zij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de vrouw minder belasting, zodat zij meer ruimte heeft voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de vrouw op een bedrag van € 737,- bruto per maand.
Conclusie
4.7.14.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man vaststellen op een bedrag van € 737,- bruto per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
4.8.
Voortgezet gebruik van de echtelijke woning
4.8.1.
Beide partijen verzoeken, zoals de rechtbank begrijpt, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning na datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Op de mondelinge behandeling hebben partijen hun verzoeken op dit punt ingetrokken. De rechtbank hoeft hierover dus geen beslissing meer te nemen.
4.9.
Vermogensrechtelijke afwikkeling
4.9.1.
Beide partijen hebben verzoeken gedaan ten aanzien van vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.9.2.
Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
4.9.3.
Voor de vaststelling van het huwelijksvermogensregime van partijen is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag) van toepassing.
4.9.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksakte – waarin tevens huwelijkse voorwaarden zijn opgenomen – wat de vorm betreft rechtsgeldig is opgesteld ten overstaan van de daartoe bevoegde huwelijksambtenaar in Iran, alsmede dat de akte is gedagtekend en door beide echtgenoten is ondertekend.
4.9.5.
In de huwelijksakte met daarin de huwelijkse voorwaarden is geen uitdrukkelijke rechtskeuze gemaakt. Aldus gaat de rechtbank niet mee in de uiteenlopende stellingen van partijen op dit punt. Echter, ook indien er huwelijkse voorwaarden zijn gemaakt zonder uitdrukkelijke rechtskeuze dan kan daaruit ondubbelzinnig voortvloeien dat partijen een bepaald recht op het oog hadden. Alsdan wordt dit geacht het huwelijksvermogensregime te beheersen.
4.9.6.
In het onderhavige geval is in de huwelijksakte niet verwezen naar wetsartikelen maar partijen hebben in de huwelijksakte wel onder A en B huwelijkse voorwaarden opgenomen die kenmerkend zijn voor het Iraanse recht. Bovendien hebben partijen onder verwijzing naar de Heilige Koran opgenomen dat de man op verzoek van de vrouw aan haar driehonderd stuks hele Bahar-e Azadi gouden munten moet betalen. De formele geldigheid van de rechtskeuze wordt geregeld door artikel 13 van het Verdrag. Blijkens deze bepaling moet een rechtskeuze worden gedaan in de vorm die voor huwelijkse voorwaarden is voorgeschreven door hetzij het aangewezen interne recht, hetzij het interne recht van de plaats waar die aanwijzing geschiedt. De rechtskeuze is derhalve geldig als voldaan is aan de formele vereisten van een van deze wetten. Indien het toepasselijke recht geen regels bevat ten aanzien van de vorm van huwelijkse voorwaarden, bijvoorbeeld omdat huwelijkse voorwaarden onbekend zijn in het recht van dat land, geldt als minimumvereiste dat de rechtskeuze moet zijn neergelegd in een schriftelijk, gedagtekend en door beide echtgenoten ondertekend stuk. Daar is hier aan voldaan. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat partijen het Iraanse recht voor ogen hadden als van toepassing zijnde op hun huwelijksvermogensregime. Krachtens artikel 3 van voormeld Huwelijksvermogensverdrag wordt het huwelijksvermogensregime daarom beheerst door het Iraanse recht.
4.9.7.
De tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden naar Iraans recht staan er op grond van artikel 7 lid 2 van het Verdrag aan in de weg dat het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht automatisch wijzigt op grond van een wijziging van gewone verblijfplaats of nationaliteit van een van partijen. Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt derhalve nog steeds beheerst door het Iraanse recht.
Iraans recht
4.9.8.
Het Iraanse huwelijksvermogensrecht kent slechts de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. Uit het stelsel van de scheiding van goederen volgt in beginsel dat hetgeen de echtgenoten ten tijde van het aangaan van het huwelijk bezaten en hetgeen zij tijdens het huwelijk hebben verworven, privé-eigendom is en blijft. Wanneer de eigendom van bepaalde (huishoudelijke) zaken niet kan worden bewezen, wordt in de regel aangenomen dat de zaken die gewoonlijk door de man worden gebruikt aan de man toebehoren en de zaken die gewoonlijk door de vrouw worden gebruikt, aan de vrouw toebehoren. De echtgenoten kunnen bewijs leveren dat deze algemene regel in hun specifieke geval niet geldt.
Diverse sieraden
4.9.9.
De man verzoekt de sieraden aan de vrouw toe te delen tegen een vergoeding van € 2.000,-. De vrouw dient ofwel de sieraden aan de man terug te geven ofwel aan hem een bedrag van € 2.000,- vergoeden.
Hoewel de man van mening is dat de waarde van de sieraden € 20.000,- is, is hij bereid zich te conformeren aan het standpunt van de vrouw dat de sieraden slechts een waarde van € 2.000,- hebben. De man stelt dat hij de goederen voor het huwelijk heeft gekocht en deze daarom zijn privé-eigendom zijn. Het verweer van de vrouw dat zij de sieraden heeft ontvangen onder de titel van schenking is een bevrijdend verweer en moet zij daarom volgens de man bewijzen.
4.9.10.
De vrouw voert verweer. Zij stelt dat de sieraden door de man aan haar geschonken zijn ten tijde van de voltrekking van het huwelijk. Volgens haar rust de bewijslast op de man en niet op haar, omdat dit geen bevrijdend verweer zou zijn. Ook voert zij aan dat naar Iraans recht de schenking niet kan worden teruggedraaid.
4.9.11.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de man de sieraden heeft aangeschaft. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt dat de waarde van de sieraden € 2.000,- is. Verder zijn partijen het er ook over eens dat de sieraden niet bedoeld waren voor hen gezamenlijk dan wel als een bruidsschat.
De vrouw stelt dat de man de sieraden aan haar heeft geschonken. De man heeft dit gemotiveerd betwist. De vrouw heeft haar stelling niet nader onderbouwd of bewezen. De rechtbank gaat daarom aan haar stelling voorbij en acht niet bewezen dat sprake is van een schenking.
Dit betekent dat de sieraden tot het privévermogen van de man behoren. Aangezien de sieraden op dit moment in het bezit zijn van de vrouw dient zij de sieraden weer in het bezit van de man te stellen danwel dient zij de man een bedrag van € 2.000,- te vergoeden in het kader van een eigendomsoverdracht.
Diverse bankrekeningen op naam van partijen
4.9.12.
De bankrekeningen op naam van de vrouw, dan wel op naam van de man, zijn niet gemeenschappelijk. Gelet op het Iraanse recht wat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen, komt het saldo op deze rekeningen niet voor verrekening in aanmerking. Eenieder houdt het saldo op de rekening(en) die op zijn/haar naam staat. Dit is anders voor de gezamenlijke rekening van partijen. De rechtbank komt hier later in deze beschikking op terug.
4.10.
Gemeenschappelijke eigendommen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.10.1.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat partijen naar Iraans recht zijn gehuwd onder uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. Dit betekent dat er op geen enkele wijze sprake kan zijn van een huwelijksgoederengemeenschap. Dat partijen goederen in mede-eigendom hebben verkregen, is dan ook geen huwelijksvermogensrechtelijk gevolg maar een goederenrechtelijk gevolg.
4.10.2.
De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de afwikkeling van die gemeenschappelijke eigendommen, moet daarom worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis). Omdat partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 sub a Brussel I-bis rechtsmacht.
4.10.3.
Op grond van artikel 10:127 lid 1 BW wordt het goederenrechtelijk regime beheerst door de staat op welk grondgebied de zaak zich bevindt. Het vierde lid van dit artikel luidt dat het in het eerste lid bedoelde recht in het bijzonder bepaalt:
  • of een zaak roerend of onroerend is;
  • wat een bestanddeel van een zaak is;
  • of een zaak vatbaar is voor overdracht van de eigendom ervan of vestiging van een recht erop;
  • welke vereisten aan een overdracht of vestiging worden gesteld;
  • welke rechten op een zaak kunnen rusten en welke de aard en de inhoud van deze rechten zijn;
  • op welke wijze die rechten ontstaan, zich wijzigen, overgaan en tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is.
4.10.4.
Partijen hebben de volgende gemeenschappelijke eigendommen naar voren gebracht:
  • een in Nederland gelegen woning ( [adres] ) en hierbij behorende hypothecaire geldlening;
  • inboedel behorende tot een in Nederland gelegen woning;
  • een auto met kenteken [kenteken] ;
  • het saldo op een Nederlandse en/of bankrekening;
De echtelijke woning en bijbehorende hypothecaire geldlening
4.10.5.
De vrouw wenst de echtelijke woning over te nemen met uitkoop van de man en dat er ter bepaling van de waarde van de woning een spoorboekje zal worden gevolgd.
4.10.6.
De man heeft aangegeven dat hij gerede twijfels heeft over de financiële mogelijkheden van de vrouw om de woning over te nemen. Hij is het ermee eens dat de woning door een taxateur wordt gewaardeerd aan de hand van een spoorboekje. De vrouw dient dan vervolgens binnen drie maanden na het taxatierapport de woning over te nemen.
4.10.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de woning in gemeenschappelijk eigendom is verkregen. Partijen zijn het verder eens over de wijze van verdeling zodat de rechtbank zich niet hoeft uit te laten over de vraag welk recht van toepassing is op de uit te voeren handelingen in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap.
Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw de mogelijkheid zal krijgen om te onderzoeken of zij financieel in staat is de woning over te nemen. Zij zijn verder overeengekomen dat de man drie makelaarskantoren zal noemen waaruit de vrouw een kantoor zal kiezen die de woning binden mag taxeren. De man heeft de volgende kantoren genoemd.
- Emanuels makelaardij te Amsterdam;
- Van de Steege Makelaars te Amsterdam;
- Rappange Makelaardij B.V. te Amsterdam.
Partijen verzoeken de rechtbank voor het verdere verloop te bepalen dat zij het zogenaamde ‘spoorboekje’ dienen te volgen. De rechtbank zal conform dit verzoek beslissen.
Vergoedingsrecht woonlasten
4.10.8.
De vrouw stelt dat zij sinds februari 2025, derhalve na de peildatum, alle gebruikerslasten voor de woning heeft betaald. Zij verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 6.562,56 dient te voldoen uit hoofde van een vergoedingsrecht van de vrouw op de man.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.10.9.
Aangezien de vordering van de vrouw niet voortvloeit uit het huwelijksvermogensregime van partijen, is de rechtbank op grond van artikel 4 Brussel Ibis Vo (Verordening EU, nr. 1215/2012) in samenhang met artikel 827 lid 1 onder sub b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen.
Op dit verzoek van de vrouw is het Nederlandse recht van toepassing. Het verzoek van de vrouw kwalificeert immers als een vergoedingsvordering verbonden aan de in Nederland gelegen woning.
Inhoudelijke beoordeling
4.10.10.
De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man. Immers heeft de vrouw sinds februari 2025 in haar eentje € 13.475,12 aan gebruikerslasten betaald. De man heeft reeds een bedrag van € 350,- voldaan zodat dit bedrag op het totaal in mindering moet worden gebracht.
4.10.11.
De man voert verweer. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert hij aan dat er tegenover de gebruikerslasten ook een gebruiksvergoeding behoort te staan. De man is immers eigenaar van de woning maar heeft daar al langere tijd geen gebruik van kunnen maken. De man heeft in deze periode ook andere woonlasten gehad in verband met zijn eigen verblijf elders. Daarbij komt dat de vrouw haar verzoek tot een vergoedingsrecht zodanig laat heeft ingediend, dat de man ook niet meer de mogelijkheid had om zelf een verzoek tot een gebruiksvergoeding in te dienen.
4.10.12.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw vanaf februari 2025 tot heden het exclusieve gebruik van de echtelijke woning heeft gehad. Eveneens staat vast dat zij sinds die datum (naast de eigenaarslasten ook) de gebruikerslasten van de woning heeft voldaan en dat de man, behoudens een eenmalige betaling van € 350,-, daaraan niet heeft bijgedragen.
Voor zover het verzoek van de vrouw ziet op de gebruikerslasten (zoals zij onder meer in haar processtuk van 9 augustus 2025 stelt) zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen omdat zij alleen gebruik heeft gemaakt van de woning in de betreffende periode. Voor zover de vrouw bedoeld heeft te stellen dat zij ook in haar eentje de eigenaarslasten heeft betaald terwijl partijen gezamenlijk ieder voor de helft eigenaar zijn van de woning, zal de rechtbank haar verzoek eveneens afwijzen. De rechtbank acht het, gelet op de omstandigheden van het geval, in strijd met de redelijkheid en billijkheid om ten gunste van de vrouw een vergoedingsrecht jegens de man vast te stellen voor de door haar betaalde eigenaarslasten. De vrouw heeft haar verzoek vlak voor de zitting pas ingediend waardoor de man niet meer in de gelegenheid is geweest hier tegenover een gebruiksvergoeding van de vrouw te vorderen. Aangezien in de praktijk veelal de betaalde eigenaarslasten en de gebruiksvergoeding tegen elkaar worden weggestreept, acht de rechtbank het niet redelijk de door de vrouw betaalde eigenaarslasten alsnog ten laste van de man te brengen.
De inboedel
4.10.13.
Partijen hebben de rechtbank voorafgaand aan de zitting bericht dat zij tot overeenstemming zijn gekomen ten aanzien van de inboedel. De rechtbank beschouwt de verzoeken van partijen op dit punt dan ook als ingetrokken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.
De Mitsubishi Space met kenteken [kenteken]
4.10.14.
De vrouw heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling haar verzoek op dit punt ingetrokken. Gelet hierop zal de rechtbank geen beslissing meer nemen over de gemeenschappelijke auto van partijen.
Het saldo op een Nederlandse en/of bankrekening
4.10.15.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen een en/of rekening hadden die inmiddels op naam van de vrouw is gezet. Op het moment van overzetting bedroeg het saldo € 1.063,77. Hoewel een en/of rekening strikt genomen geen eenvoudige gemeenschap is waarvan partijen ieder voor de helft mede-eigenaar zijn, zijn partijen het erover eens dat de man de helft van dit bedrag, zijnde € 532,- toekomt. Zij verzoeken de rechtbank conform te bepalen. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen.
Nadere inzage bankrekeningen
4.10.16.
Partijen verzoeken over en weer de rechtbank te bepalen dat ieder van hen nadere inzage dient te verstrekken in de op zijn / haar naam staande bankrekeningen en de saldi daarvan op de peildatum tot een jaar voorafgaand aan de peildatum. Deze verzoeken zijn echter niet geconcretiseerd. Niet is aangegeven op welke rekeningen of gegevens het verzoek precies ziet, noch is toegelicht wat de peildatum dan zou zijn en welk belang partijen daarbij (nog) hebben. Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt immers beheerst door het Iraans recht. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzoeken van partijen afwijzen.
4.11.
De schuld bij de Belastingdienst
4.11.1.
De vrouw heeft een schuld op haar naam aan de belastingdienst van
€ 1.774,-. Het betreft een naheffingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2024. De vrouw stelt dat de man haar de helft van het bedrag van deze schuld dient te vergoeden omdat het te veel ontvangen hypotheekaftrek betreft die partijen gezamenlijk ten goede is gekomen.
Kwalificatie
4.11.2.
De rechtbank leidt uit het verzoek van de vrouw af dat zij de grondslag van het verzoek baseert op ongerechtvaardigde verrijking van de man danwel onverschuldigde betaling door de vrouw. Deze zou hebben plaatsgevonden toen partijen in Nederland woonden.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.11.3.
Nu het verzoek nauw samenhangt met het verzoek tot echtscheiding, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 3 Rv juncto artikel 827 lid 1 onder sub b Rv eveneens rechtsmacht toe daarvan kennis te nemen.
4.11.4.
Op een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking dan wel onverschuldigde betaling is op grond van artikel 10 lid 2 Rome II (Verordening EG, nr. 864/2007) het Nederlandse recht van toepassing.
4.11.5.
De rechtbank overweegt dat uit de door de vrouw overgelegde brief van de belastingdienst van 21 juni 2025 niet blijkt dat de aanslag (uitsluitend) teveel ontvangen hypotheekrenteaftrek betreft. Daarnaast heeft de man gemotiveerd betwist ongerechtvaardigd verrijkt te zijn zonder dat de vrouw daar een verdere onderbouwing van haar standpunt tegenover heeft gesteld. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal afwijzen.
4.12.
De bruidsgave
4.12.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar 300 volle (1) Bahar-e Azadi gouden munten overhandigt, dan wel het bedrag ad € 205.980,- aan de vrouw vergoedt dat met de waarde van 300 volle (1) Bahar-e Azadi gouden munten compenseert.
Litispendentie
4.12.2.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vrouw eerder in Iran een procedure heeft ingesteld strekkende tot toewijzing van de bruidsgave. Volgens de vrouw heeft zij haar advocaat in Iran opdracht gegeven die procedure in te trekken, nadat zij via haar Nederlandse advocaat had vernomen dat zij de bruidsgave ook in Nederland kan opeisen. Aangezien de procedure in Iran is beëindigd, is niet langer sprake van gelijktijdig aanhangige procedures over hetzelfde onderwerp. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake (meer) is van litispendentie, zodat dit de behandeling in Nederland niet in de wegstaat.
Kwalificatie
4.12.3.
De bruidsgave (
mahr) is een rechtsfiguur uit het Iraanse recht. Zij houdt een toezegging in van de man aan de vrouw tot betaling van geld of goederen ter gelegenheid van de huwelijkssluiting. Op grond van artikel 1082 van het Iraanse Burgerlijk Wetboek (IBW) wordt de vrouw bij de huwelijkssluiting eigenaar van de bruidsgave en kan zij daarover in beginsel vrij beschikken. Naar Iraans recht behouden echtgenoten ieder hun eigen vermogen. Omdat de vrouw na de ontbinding van het huwelijk in beginsel geen aanspraak kan maken op het vermogen van de man, vervult de bruidsgave de functie van financiële zekerheid voor de vrouw in geval van echtscheiding.
4.12.4.
Uit de literatuur volgt dat de bruidsgave verschillende functies kent die gezamenlijk haar achtergrond en doel verklaren. Zij heeft allereerst een symbolische betekenis: de bruidsgave staat niet enkel voor een materiële tegenprestatie, maar drukt de wederzijdse intentie tot huwelijk uit en weerspiegelt de sociale positie en morele verplichtingen van partijen en hun families. Daarnaast heeft de bruidsgave een financieel-economische functie, doordat zij de vrouw vermogensrechtelijke zekerheid biedt. De betaling wordt vaak (gedeeltelijk) uitgesteld tot het einde van het huwelijk, zodat de vrouw bij echtscheiding of overlijden van de man over een financiële waarborg beschikt. Ook kan zij binnen het huwelijk fungeren als eigen vermogen of buffer van de vrouw. Een derde functie is regulerend van aard: de verplichting tot betaling van de (resterende) bruidsgave kan de man weerhouden van een lichtvaardige echtscheiding en zo bijdragen aan de bestendigheid van het huwelijk. Ten slotte kan de bruidsgave als onderhandelingsinstrument dienen, zowel bij de huwelijkssluiting als bij de ontbinding daarvan; de hoogte ervan bepaalt mede de onderhandelingsruimte van met name de vrouw.
4.12.5.
De rechtbank is van oordeel dat de bruidsgave naar Iraans recht niet met een Nederlandse rechtsfiguur is te vergelijken. Zij heeft een eigen, van het Nederlandse recht afwijkend karakter en is niet gelijk te stellen met een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak of een onderhoudsverplichting. In lijn met eerdere rechtspraak oordeelt de rechtbank dat de bruidsgave moet worden aangemerkt als een rechtsfiguur
sui generis(vgl. ECLI:NL:HR:2019:2010).
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.12.6.
Nu het verzoek met betrekking tot de bruidsgave nauw samenhangt met het verzoek tot echtscheiding, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 3 Rv in samenhang met artikel 827 Rv eveneens rechtsmacht toe daarvan kennis te nemen.
4.12.7.
Zoals hiervoor is overwogen, vloeit de bruidsgave voort uit een rechtsverhouding
sui generis, waarvoor geen specifieke conflictregels bestaan. De rechtbank dient daarom te beoordelen bij welke verwijzingscategorie de onderhavige vordering het meest aansluit.
4.12.8.
De vrouw heeft zich niet uitdrukkelijk uitgelaten over het toepasselijk recht.
4.12.9.
De man heeft daarentegen aangevoerd dat de Nederlandse rechtssfeer in het leven van partijen in zodanige mate is betrokken geraakt dat toepassing van Iraans recht in strijd zou komen met de Nederlandse openbare orde in de zin van artikel 10:6 BW. Hij wijst erop dat de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting als student in Nederland verbleef, dat hij zich na de huwelijkssluiting bij haar in Nederland heeft gevestigd en dat partijen hier gezamenlijk een gezin hebben gesticht. Volgens de man volgt hieruit dat de Nederlandse rechtsorde dermate nauw met hun huwelijk is verbonden dat Nederlands recht behoort te worden toegepast. Hij beroept zich daarbij op de redelijkheid en billijkheid en verwijst naar HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721.
4.12.10.
De rechtbank dient het toepasselijk recht ambtshalve vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de bruidsgave een rechtsverhouding die valt onder de in artikel 1 lid 2, onder b en c, van de
Rome I-verordeninguitgesloten onderwerpen, zodat deze verordening niet van toepassing is. De rechtbank acht het aangewezen het bestaan en de omvang van de aanspraak te beoordelen naar het recht waaruit die aanspraak is ontstaan, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bedoeling van partijen. Nu de bruidsgave voortvloeit uit het door partijen naar Iraans recht gesloten huwelijk, moet de vordering van de vrouw in beginsel worden beoordeeld naar Iraans recht. Het beroep van de man op strijd met de Nederlandse openbare orde zal hierna afzonderlijk worden besproken.
Inhoudelijke beoordeling
4.12.11.
Naar Iraans recht kan de vrouw slechts op basis van een aantal gronden zelfstandig een verzoek tot echtscheiding indienen. Indien het echtscheidingsverzoek van de vrouw is gebaseerd op één van die echtscheidingsgronden, behoudt zij haar aanspraak op de bruidsgave. Het echtscheidingsverzoek kan worden gebaseerd op echtscheidingsgronden die volgen uit de wet of zoals die zijn opgenomen in de aanvullende echtscheidingsgronden zoals vermeld in de huwelijkse voorwaarden.
De wettelijke echtscheidingsgronden voor Iraanse vrouwen luiden, naar het Engels vertaald, als volgt:
- Artikel 1029 Iraans Burgerlijk Wetboek (IBW):
“the husband’s disappearance for a period of at least four years without any sign of life.”
- Artikel 1129 IBW:
“the husband’s refusal to pay maintenance and the impossibility to force him to do so.”
- Artikel 1130 IBW:
“the husband’s breach of any other marital duties and the impossibility to have him observe them.”
4.12.12.
In de huwelijksakte hebben partijen, naar het Engels vertaald, de volgende (aanvullende) echtscheidingsgronden opgenomen:
Terms and conditions provided by a separate binding contract:
A. Through this and / or a separate binding contract, the husband agreed that where divorce has not been requested by the wife, and where at the discretion of the court of law, the request for divorce has not emanated from the wife’s misconduct and / or from her failure in fulfilling the marital obligations, the husband shall share half the assets he has acquired during his martial life with her and / or shall pay the wife an equivalent amount free of charge as the court may deem appropriate.
B. Through this and / or a separate binding contract, the husband irrevocably empowered his wife with the right of substitution to resort to a court of law, where any of the following conditions arise, obtain the writ or order so required and divorce herself after choosing the kind of divorce. Also, the husband irrevocably empowered his wife with the right of substitution to accept on his behalf the endowment of the marriage portion if she so proposes. (1) When she does not receive her alimony for six months. (2) Husband’s misbehavior. (3) When the husband is afflicted with a refractory disease. (4) When the husband is insane. (5) When the husband does not obey the court’s order. (6) When the husband is sentenced by a court of law to five years imprisonment. (7) When the husband is afflicted with any noxious addiction. (8) When the husband abandons the family life. (9) When the husband is convicted of a crime. (10) When the wife cannot bear a child due to the husband’s infertility. (11) When the husband has been absent without leaving any trace. (12) When the husband marries another woman.”
4.12.13.
Indien de echtscheiding wordt verzocht door de vrouw en niet is gebaseerd op een van voornoemde echtscheidingsgronden, is er sprake van een
khulechtscheiding.
De
khulechtscheiding is geregeld in het navolgende artikel, naar het Engels vertaald:
- Artikel 1146 IBW:
“A Khul’a divorce occurs when the wife obtains a divorce owing to dislike of her husband, against property which she cedes to the husband. The property in question may consist of the original marriage portion, or the monetary equivalent thereof, whether more or less than the marriage portion.”
In het geval van een
khulechtscheiding zal de vrouw aan haar echtgenoot een vergoeding aanbieden in ruil voor zijn toestemming om te kunnen scheiden. De compensatie bestaat meestal uit de kwijtschelding van het onbetaalde deel van de bruidsgave, alsook uit elke andere vorm van compensatie.
Partijen verschillen van mening of de vrouw aanspraak kan maken op de bruidsgave.
4.12.14.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat haar verzoek tot echtscheiding geen invloed heeft op haar aanspraak op de bruidsgave, omdat de echtscheiding als zodanig door Nederlands recht wordt beheerst en Nederland geen
khul-echtscheiding kent. De vrouw stelt dat zij daardoor met het initiëren van de echtscheiding geen afstand heeft gedaan van de bruidsgave.
4.12.15.
De man stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de vrouw tot een bruidsgave moet worden afgewezen omdat het een khul echtscheiding is.
4.12.16.
Beide partijen beroepen zich op de Nederlandse openbare orde in de zin van artikel 10:6 BW, zij het met een tegengesteld doel. De man stelt dat toepassing van Iraans recht in dit geval in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Hij voert aan dat de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting al in Nederland woonde, dat hij zich na de huwelijkssluiting direct bij haar in Nederland heeft gevestigd en dat partijen hier samen een gezin hebben gesticht. Volgens de man is de Nederlandse rechtssfeer daardoor in het leven van partijen sterk betrokken geraakt. Om die reden kan volgens hem het Iraanse recht inzake de bruidsgave niet worden toegepast zonder dat dit in strijd komt met de Nederlandse rechtsorde. Hij meent dat daarom moet worden teruggevallen op Nederlands recht en dat de vordering op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden afgewezen (vgl. HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721).
De vrouw voert daartegen aan dat juist het verlies van haar aanspraak op de bruidsgave, dat uit het Iraanse recht zou volgen, in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Zij stelt dat het onverenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel dat een vrouw die de echtscheiding initieert daardoor haar aanspraak op de bruidsgave verliest.
4.12.17.
De rechtbank is van oordeel dat de bruidsgave, anders dan de vrouw betoogt, niet los kan worden gezien van de echtscheidingsprocedure. Naar Iraans recht wordt de vrouw bij de huwelijkssluiting eigenaar van de bruidsgave (artikel 1082 IBW). Dat betekent dat de bruidsgave vanaf dat moment tot haar vermogen behoort. Dit neemt echter niet weg dat de uitoefening van haar aanspraak op betaling in de praktijk veelal pas aan de orde is bij of na de ontbinding van het huwelijk. De bruidsgave vervult immers mede de functie van financiële zekerheid voor de vrouw na de echtscheiding. In zoverre is de vordering tot betaling daarvan nauw verweven met de omstandigheden waaronder de echtscheiding tot stand komt.
4.12.18.
Vaststaat dat de echtscheiding is verzocht door de vrouw. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
4.12.19.
De rechtbank stelt vast dat de door de vrouw aangevoerde grond voor de echtscheiding naar Iraans recht niet behoort tot de wettelijke echtscheidingsgronden als genoemd in de artikelen 1029, 1129 en 1130 IBW danwel de (aanvullende) echtscheidingsgronden als genoemd in de huwelijksakte. Dit leidt tot de conclusie dat het verzoek van de vrouw moet worden aangemerkt als een verzoek op grond van
dislike of her husbandin de zin van artikel 1146 IBW. Dit brengt mee dat sprake is van een zogenoemde
khul-echtscheiding. Uit dit artikel volgt dat de vrouw in dat geval echtscheiding kan verkrijgen tegen vergoeding aan de man, welke vergoeding doorgaans bestaat uit (gedeeltelijke) kwijtschelding van de bruidsgave of een andere vorm van compensatie. De rechtbank leidt hieruit af dat de vrouw naar Iraans recht niet zonder meer aanspraak heeft op uitkering van de bruidsgave, maar gehouden is de man te compenseren door (gedeeltelijk) afstand te doen van haar recht daarop.
4.12.20.
De rechtbank overweegt verder dat op grond van artikel 10:6 BW buitenlands recht slechts buiten toepassing blijft indien de uitkomst daarvan kennelijk onverenigbaar is met de fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde. Deze toets dient terughoudend te worden gehanteerd. Toepassing van het Iraanse recht brengt in dit geval mee dat de vrouw, nu zij zelf de echtscheiding heeft verzocht en geen wettelijke of contractuele echtscheidingsgrond aanwezig is, haar aanspraak op de bruidsgave verliest in het kader van een
khul-echtscheiding (art. 1146 en 1147 IBW). De rechtbank onderkent dat dit voor de vrouw ongunstige financiële gevolgen kan hebben, maar dit leidt niet tot een feitelijke belemmering om van de man te scheiden; van huwelijksgevangenschap is geen sprake. Dit geldt temeer nu de vrouw en niet de man kostwinner is. Zij is in staat zichzelf na de echtscheiding in financieel opzicht te bedruipen. Verder geldt dat het naar Iraanse recht gebruikelijk en aanvaard is dat de compensatie in de regel (gedeeltelijke) kwijtschelding van de nog niet betaalde bruidsgave omvat. De bruidsgave wordt in dat stelsel gegeven in de wetenschap dat zij bij een door de vrouw geïnitieerde echtscheiding zonder erkende grond kan worden teruggevorderd; de man mocht hiermee bij zijn toezegging rekening houden en de vrouw moest daarmee bekend zijn. Bovendien geldt ook voor de man dat een initiatief tot echtscheiding van zijn zijde voor hem financiële consequenties heeft, aangezien hij in dat geval de bruidsgave moet voldoen.
De negatieve financiële consequenties hetzij aan de zijde van de vrouw, hetzij aan de zijde van de man kunnen zich ook naar Nederlands recht voordoen in geval van echtscheiding en leiden dan ook niet tot de conclusie dat de bepalingen uit het Nederlandse wetboek strijdig zijn met de openbare orde. De rechtbank ziet alles overwegende dan ook geen grond om het Iraanse recht wegens strijd met de Nederlandse openbare orde buiten toepassing te laten. (Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:266).
4.12.21.
Op grond van het voorgaande komt de man het recht op compensatie toe. Die compensatie bestaat naar Iraans recht in de regel uit (gedeeltelijke) kwijtschelding van de nog niet betaalde bruidsgave. Aangezien onderhandelingen tussen partijen in het kader van de echtscheiding niet meer aan de orde zijn en geen andere vorm van compensatie is gesteld of gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de man de nog niet betaalde Bahar-e Azadi gouden munten niet aan de vrouw hoeft te voldoen. Het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave wordt daarom afgewezen.
4.13.
Pensioenverevening
4.13.1.
De man heeft op de mondelinge behandeling zijn verzoek, te bepalen dat tussen pensioenverevening dient plaats te vinden, ingetrokken. Om die reden hoeft de rechtbank niet langer een beslissing te nemen op dit verzoek.

5.De beslissing

De rechtbank:
In de procedure met zaak- en rekestnummer: C/13/753678 / FA RK 24-4588
5.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Teheran, Iran, op 26 december 2018;
5.2.
stelt vast dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
5.3.
bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat [minderjarige] bij de man verblijft:
Tot de man geschikte (zelfstandige) woonruimte heeft:
  • Iedere week van vrijdag uit school tot 18:00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt op school en de vrouw [minderjarige] ophaalt bij de man;
  • in de oneven weken op zaterdag van 10:00 tot 15:00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt bij de vrouw en de vrouw [minderjarige] ophaalt bij de man;
Vanaf het moment dat de man (zelfstandige) woonruimte heeft:
  • In de even weken van vrijdag uit school tot 18:00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt op school en de vrouw [minderjarige] ophaalt bij de man;
  • In de oneven weken van vrijdag uit school tot zaterdag 15:00 uur, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag ophaalt op school en de vrouw [minderjarige] op zaterdag ophaalt bij de man;
5.4.
beslist dat de man over de periode van 1 november 2024 tot en met de datum van de onderhavige beschikking een bedrag van € 50,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;
5.5.
beslist dat de man met ingang van de datum van de onderhavige beschikking een bedrag van € 61,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;
5.6.
beslist dat de man de kinderalimentatie vanaf vandaag steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
5.7.
beslist dat de vrouw vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 737,- per maand moet betalen aan de man, als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud;
5.8.
beslist dat de vrouw de partneralimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
5.9.
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de beslissingen genoemd in 5.2. tot en met 5.8.;
5.10.
wijst het meer of anders verzochte af;
In de procedure met zaak- en rekestnummer: C/13/769485 / FA RK 24-3757
5.11.
gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning:
- de vrouw dient binnen één week na afgifte van deze beschikking één makelaar uit te kiezen van de volgende door de man genoemde makelaarskantoren:
 Emanuels makelaardij te Amsterdam;
 Van de Steege Makelaars te Amsterdam;
 Rappange Makelaardij te Amsterdam.
Deze makelaar wordt belast met de taxatie van de woning. Indien de vrouw niet binnen één week uit de drie voorgestelde makelaars een keuze maakt, is de man gerechtigd om zelf een van de drie makelaars uit te kiezen;
- partijen geven binnen 14 dagen na bovenvermelde keuze aan deze makelaar de opdracht om de woning te taxeren tegen de actuele waarde. Indien slechts een van de partijen binnen deze termijn een opdracht aan de makelaar heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de makelaar te verstrekken;
- de taxatie door bovenvermelde makelaar is bindend;
- ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;
- de vrouw krijgt gedurende drie maanden nadat het taxatierapport is opgemaakt de gelegenheid om de man schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of de vrouw de woning kan overnemen tegen de taxatiewaarde ervan, waarbij:
 de vrouw de op de woning rustende hypothecaire geldleningen bij de hypotheekverstrekker geheel voor haar rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de man zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldleningen;
 de vrouw de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit de taxatiewaarde, na aftrek van de hypothecaire schuld(en) op het moment van de notariële overdracht, aan de man zal vergoeden;
- indien de vrouw de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de levering van de woning aan de vrouw plaats te vinden binnen drie maanden, nadat de vrouw de man binnen de termijn van drie maanden na het opmaken van het taxatierapport schriftelijk heeft bericht dat zij de woning kan overnemen;
- de kosten van het notariële transport van de woning komen voor rekening van de vrouw;
- indien binnen of na verloop van deze periode van in totaal zes maanden blijkt dat de vrouw de woning niet kan overnemen dan wel deze niet is geleverd aan de man, dient de woning te worden verkocht en geleverd aan een derde;
- partijen zullen dan uiterlijk binnen 14 dagen na de mededeling dat overname niet lukt, dan wel binnen 14 dagen nadat de termijn voor levering is verstreken, gezamenlijk opdracht tot verkoop geven aan de makelaar die de taxatie heeft verricht. Indien de makelaar die de taxatie heeft verricht de opdracht tot verkoop niet wil accepteren, dan dient de vrouw binnen 14 dagen na die mededeling van voornoemde makelaar een andere makelaar te kiezen van een van de volgende makelaarskantoren:
 Emanuels makelaardij te Amsterdam;
 Van de Steege Makelaars te Amsterdam;
 Rappange Makelaardij te Amsterdam.
Indien de vrouw niet binnen een termijn van één week een makelaar kiest, is de man gerechtigd zelf een makelaar te kiezen;
- partijen zullen dan uiterlijk binnen 14 dagen na de hiervoor genoemde keuze, gezamenlijk opdracht tot verkoop geven aan de gekozen makelaar;
- partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;
- indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;
- partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;
- als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;
- na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening(en) worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen;
5.12.
bepaalt ten aanzien van de sieraden dat de vrouw de sieraden weer aan de man moet teruggeven danwel een bedrag van € 2.000,- aan de man moet vergoeden;
5.13.
bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 532,- moet voldoen aan de man in verband met het opheffen van de en/of rekening;
5.14.
verklaart de beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
5.15.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 22 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Behoefte
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
10-10-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
27.486
43
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten
6.969
Bruto inkomsten
34.455
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
34.455
59
Inkomsten
34.455
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
34.455
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
34.455
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)
12.738
95
Inkomensheffing box 1
12.738
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
34.455
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
12.738
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
7.947
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
4.791
Inkomen na aftrek inkomensheffing
29.664
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
2.723
jaar
Arbeidskorting
5.224
jaar
120
Besteedbaar inkomen
29.664
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
29.664
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.472
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Behoefte
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
10-10-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
78.007
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
78.007
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
78.007
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
78.007
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)
14.084
- Schijf 1b, 36,97% over € 38.098 (€ 40.021) t/m € 75.517
13.834
- Schijf 2, 49,5% over € 75.518 of meer
1.232
95
Inkomensheffing box 1
29.15
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
78.007
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
29.15
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.055
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
26.095
Inkomen na aftrek inkomensheffing
51.912
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
jaar
Arbeidskorting
3.055
jaar
120
Besteedbaar inkomen
51.912
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
51.912
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
4.326
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding Alimentatieplichtige
2.472
NBI voor scheiding Alimentatiegerechtigde
4.326
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
6.798
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Ouders hebben in gezinsverband geleefd
ja
NBGI voor scheiding
6.798
Tabel aantal kinderen
1
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel
880
#
Indexeren
ja
Startjaar
2024
Eindjaar
2025
Eigen aandeel ouders geïndexeerd
937
Behoefte obv 60% norm
Netto Behoefte
Netto gezinsinkomen
6.798
Af: kosten van de kinderen
-
880
Saldo
5.918
Netto behoefte obv 60%
3.551
Netto behoefte
3.551
#
Indexeren
ja
Startjaar
2024
Eindjaar
2025
Netto behoefte geïndexeerd
3.782
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkracht 2024
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
10-10-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
27.486
43
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten
6.969
Bruto inkomsten
34.455
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
34.455
59
Inkomsten
34.455
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
34.455
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
34.455
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)
12.738
95
Inkomensheffing box 1
12.738
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
34.455
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
12.738
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
7.947
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
4.791
Inkomen na aftrek inkomensheffing
29.664
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
2.723
jaar
Arbeidskorting
5.224
jaar
120
Besteedbaar inkomen
29.664
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
29.664
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.472
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
29.664
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
2.472
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
2.472
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.27
123a
Woonbudget
742
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.012
136a
Draagkrachtruimte
460
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
322
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
322
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
2.472
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.27
123b
Woonbudget
742
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
2.012
136b
Draagkrachtruimte
460
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
460
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
276
140
Beschikbaar
276
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
160
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
160
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
116
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
116
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
184
Specificaties voor post: 144
Of per maand
184
maand
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 1.392 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van €
34.455
jaar
In de schijf van 36,97% valt € 1.392, € 1.392 x ( 100 / (100 - 36,97))
2.208
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
2.208
jaar
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkracht 2024
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
10-10-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
78.007
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
78.007
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
78.007
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
78.007
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)
14.084
- Schijf 1b, 36,97% over € 38.098 (€ 40.021) t/m € 75.517
13.834
- Schijf 2, 49,5% over € 75.518 of meer
1.232
95
Inkomensheffing box 1
29.15
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
78.007
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
29.15
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
6.005
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
23.145
Inkomen na aftrek inkomensheffing
54.862
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
jaar
Arbeidskorting
3.055
jaar
Combinatiekorting
2.95
jaar
Bij: Kindgebonden budget
2.461
120
Besteedbaar inkomen
57.323
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
57.323
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
4.777
120b
Af: correctie kindgebonden budget
-
2.461
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
54.862
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
4.572
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
4.777
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.27
123a
Woonbudget
1.433
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.703
136a
Draagkrachtruimte
2.074
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
1.452
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
1.452
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
4.572
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.27
123b
Woonbudget
1.372
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
2.642
136b
Draagkrachtruimte
1.93
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
1.93
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
1.158
140
Beschikbaar
1.158
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
720
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
720
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
438
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
438
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
694
Specificaties voor post: 144
Of per maand
694
maand
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 5.256 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van €
78.007
jaar
In de schijf van 36,97% valt € 1.569, € 1.569 x ( 100 / (100 - 36,97))
2.489
jaar
In de schijf van 36,97% valt € 3.687, € 3.687 x ( 100 / (100 - 36,97))
5.85
jaar
In de schijf van 36,97% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 36,97))
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
8.339
jaar
Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
10-10-2025
Alimentatieplichtige
Alimentatiegerechtigde
Kindgebonden budget na scheiding
84
Alleenstaande ouderkop
121
Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK)
2.472
4.777
Aantal kinderen
1
Kind 1
Leeftijd
4
Woont bij
AP
AG
1
Ex-partner
Zorgkorting Alimentatiegerechtigde
%
Zorgkorting Alimentatieplichtige
%
15
Zorgkorting tbv.
AP
Kind 1
Totaal
Bijdrage ouders in kosten kinderen
€ p/m
880
880
Netto kinderopvangkosten na scheiding
€ p/m
Overige kosten kinderen na scheiding
€ p/m
Totale kosten kinderen na scheiding
€ p/m
880
880
Zorgkorting
€ p/m
132
132
Draagkracht
Alimentatieplichtige
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
322
322
Draagkracht Alimentatieplichtige per kind
€ p/m
322
322
Draagkracht Alimentatieplichtige
€ p/m
322
322
Alimentatiegerechtigde
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
1.452
1.452
Draagkracht Alimentatiegerechtigde per kind
€ p/m
1.452
1.452
Draagkracht Alimentatiegerechtigde
€ p/m
1.452
1.452
Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind
€ p/m
1.774
1.774
Bijdrage kosten kinderen
Aandeel Alimentatieplichtige
€ p/m
160
160
Af: zorgkorting
€ p/m
- 132
- 132
Ten laste van Alimentatieplichtige na aftrek zorgkorting
€ p/m
28
28
Aandeel Alimentatiegerechtigde
€ p/m
720
720
Af: zorgkorting
€ p/m
- 0
- 0
Ten laste van Alimentatiegerechtigde na aftrek zorgkorting
€ p/m
720
720
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkracht 2025
Tarieven
2025-1
Datum uitdraai
10-10-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
38.88
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
38.88
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
38.88
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
38.88
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
164
95
Inkomensheffing box 1
13.933
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
38.88
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
13.933
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
7.91
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
6.023
Inkomen na aftrek inkomensheffing
32.857
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
2.405
jaar
Arbeidskorting
5.505
jaar
120
Besteedbaar inkomen
32.857
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
32.857
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.738
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
32.857
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
2.738
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
2.738
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
821
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.131
136a
Draagkrachtruimte
607
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
425
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
425
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
2.738
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.31
123b
Woonbudget
821
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
2.131
136b
Draagkrachtruimte
607
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
607
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
364
140
Beschikbaar
364
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
209
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
209
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
155
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
155
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
242
Specificaties voor post: 144
In de schijf van 35,82% valt € 1.585, € 1.585 x ( 100 / (100 - 35,82))
2.47
jaar
Of per maand
242
maand
Het resultaat van de brutering is per jaar
2.91
jaar
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 1.860 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van €
38.88
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 275, € 275 x ( 100 / (100 - 37,48))
440
jaar
Bruto aanvullende behoefte
Netto Behoefte
Netto behoefte
3.782
Berekening Bruto aanvullende Behoefte
Netto behoefte aan inkomen
3.782
Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)
2.738
Post 141 Bijdrage in de kosten van de kinderen
209
Restant:
209
Kosten kinderen uit eigen inkomen
209
Zelf beschikbaar netto inkomen
-
2.529
Netto aanvullende behoefte
1.253
Bruto aanvullende behoefte
2.461
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkracht 2025
Tarieven
2025-1
Datum uitdraai
10-10-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
79.907
Bruto inkomsten
79.907
Specificaties voor post: 41 (Optellen)
87.431
jaar
-
7.524
jaar
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
79.907
59
Inkomsten
79.907
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
79.907
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
79.907
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
14.383
- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer
1.529
95
Inkomensheffing box 1
29.681
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
79.907
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
29.681
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
6.187
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
23.494
Inkomen na aftrek inkomensheffing
56.413
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
jaar
Arbeidskorting
3.201
jaar
Combinatiekorting
2.986
jaar
Bij: Kindgebonden budget
2.244
120
Besteedbaar inkomen
58.657
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
58.657
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
4.888
120b
Af: correctie kindgebonden budget
-
2.244
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
56.413
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
4.701
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
4.888
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
1.466
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.776
136a
Draagkrachtruimte
2.112
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
1.478
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
1.478
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
4.701
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.31
123b
Woonbudget
1.41
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
2.72
136b
Draagkrachtruimte
1.981
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
1.981
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
1.189
140
Beschikbaar
1.189
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
728
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
728
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
461
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
461
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
737
Specificaties voor post: 144
In de schijf van 35,82% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,82))
jaar
Of per maand
737
maand
Het resultaat van de brutering is per jaar
8.848
jaar
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 5.532 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van €
79.907
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 1.932, € 1.932 x ( 100 / (100 - 37,48))
3.09
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 3.600, € 3.600 x ( 100 / (100 - 37,48))
5.758
jaar
Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Tarieven
2025-1
Datum uitdraai
10-10-2025
Alimentatieplichtige
Alimentatiegerechtigde
Kindgebonden budget na scheiding
80
Alleenstaande ouderkop
107
Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK)
2.738
4.888
Aantal kinderen
1
Kind 1
Leeftijd
4
Woont bij
AP
AG
1
Ex-partner
Zorgkorting Alimentatiegerechtigde
%
Zorgkorting Alimentatieplichtige
%
15
Zorgkorting tbv.
AP
Kind 1
Totaal
Bijdrage ouders in kosten kinderen
€ p/m
937
937
Netto kinderopvangkosten na scheiding
€ p/m
Overige kosten kinderen na scheiding
€ p/m
Totale kosten kinderen na scheiding
€ p/m
937
937
Zorgkorting
€ p/m
141
141
Draagkracht
Alimentatieplichtige
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
425
425
Draagkracht Alimentatieplichtige per kind
€ p/m
425
425
Draagkracht Alimentatieplichtige
€ p/m
425
425
Alimentatiegerechtigde
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
1.478
1.478
Draagkracht Alimentatiegerechtigde per kind
€ p/m
1.478
1.478
Draagkracht Alimentatiegerechtigde
€ p/m
1.478
1.478
Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind
€ p/m
1.903
1.903
Bijdrage kosten kinderen
Aandeel Alimentatieplichtige
€ p/m
209
209
Af: zorgkorting
€ p/m
- 141
- 141
Ten laste van Alimentatieplichtige na aftrek zorgkorting
€ p/m
68
68
Aandeel Alimentatiegerechtigde
€ p/m
728
728
Af: zorgkorting
€ p/m
- 0
- 0
Ten laste van Alimentatiegerechtigde na aftrek zorgkorting
€ p/m
728
728