ECLI:NL:RBAMS:2025:7853

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
11763468 \ EA VERZ 25-715
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst en rechtsgeldigheid van ontslag in het kader van een BBL-constructie

In deze zaak heeft de kantonrechter zich gebogen over de rechtsgeldigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] door [verweerster] . [verzoekster] was in dienst als leerling kraamverzorgende en had een leer-arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst was aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat [verzoekster] een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) zou overleggen en de opleiding succesvol zou afronden. Na een periode van ziekte en een verstoorde arbeidsverhouding heeft [verweerster] de arbeidsovereenkomst per e-mail beëindigd, stellende dat deze van rechtswege was geëindigd omdat [verzoekster] de opleiding niet had afgerond. [verzoekster] heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht om vernietiging van het ontslag. De kantonrechter heeft geoordeeld dat er geen geldige ontbindende voorwaarde was overeengekomen, waardoor de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege was geëindigd. Het ontslag is derhalve nietig verklaard. De kantonrechter heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst ontbonden, maar niet op basis van verwijtbaar handelen van [verzoekster] , maar omdat de verstoorde arbeidsverhouding in het belang van [verzoekster] een einde aan de arbeidsovereenkomst rechtvaardigde. Tevens zijn vergoedingen toegekend, waaronder een billijke vergoeding van € 30.000,00 en een transitievergoeding van € 1.870,85.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11763468 \ EA VERZ 25-715
Beschikking van 24 oktober 2025
in de zaak van
[verzoekster],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. M.M. Janssens en mr. R. Meinen,
tegen
[verweerster] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. E.C. van Steekelenburg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoekster] met producties, ingekomen op 24 juni 2025,
- het verweerschrift van [verweerster] , tevens houdende (voorwaardelijke) tegenverzoeken, met producties, ingekomen op 23 september 2025,
- de herziene versie van het verzoekschrift van [verzoekster] , ingekomen op 24 september 2025,
- een verzoekschrift van [verzoekster] om op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een voorlopige voorziening te treffen, ingekomen op 24 september 2025,
- nagekomen producties van beide partijen,
- het verweer tegen het (voorwaardelijk) tegenverzoek.
1.2.
Het verzoek is mondeling behandeld op 2 oktober 2025. [verzoekster] is in persoon verschenen, met haar moeder en [naam 1] , medewerkster van Cordaan, vergezeld door haar gemachtigden. Namens [verweerster] is haar gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunt aan de hand van pleitaantekeningen toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1982 en thans derhalve 43 jaar oud, is op 8 september 2022 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [verweerster] als leerling kraamverzorgende. De titel van de arbeidsovereenkomst is “leer-arbeidsovereenkomst”. De arbeidstijd is 24 uur per week en het salaris bedraagt thans € 1.492,77 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en 7,7% eindejaarsuitkering. Op de arbeidsovereenkomst is de collectieve arbeidsovereenkomst Kraamzorg (hierna: CAO) van toepassing.
2.2.
In de arbeidsovereenkomst zijn – onder meer – de volgende bepalingen opgenomen:
“Deze overeenkomst wordt aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat de Werknemer binnen 8 weken na 08 september 2022 een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) overlegt.”
“Leerling is verplicht om de opleiding volledig af te ronden en na het afronden minimaal 3 achtereenvolgende jaren in dienstverband te blijven. Bij het niet afronden van de opleiding of het uit dienst treden binnen 3 jaar na afrondning van de opleiding kraamverzorgende maakt werkgever aanspraak op EUR 2450.”
Artikel 2 lid 2:
“Partijen kunnen deze arbeidsovereenkomst schriftelijk opzeggen tegen het einde van de kalendermaand met inachtneming van de opzegtermijn zoals vastgelegd in de cao.”
Artikel 10 lid 1: De Werknemer heeft recht op een onkostenvergoeding. Deze vergoeding geldt als tegemoetkoming in:
-de reiskosten woon-werkverkeer conform de reiskostenregeling
- de studiekosten conform de studiekostenregeling. Werkgever en Werknemer leggen afspraken vast in een studieovereenkomst. (…)”
Artikel 13 lid 2:
“Ingeval Werknemer de overeengekomen werkzaamheden niet verricht vanwege arbeidsongeschiktheid, zal Werkgever, indien en zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, gedurende de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid * van het overeengekomen loon doorbetalen, gerekend vanaf de eerste ziektedag. In het eerste ziektejaar ontvangt Werknemer minimaal het minimumloon. Gedurende de daaropvolgende 52 weken van arbeidsongeschiktheid heeft Werknemer recht op * van het overeengekomen brutoloon met een maximum van het maximum dagloon.”
(Kantonrechter: * = het percentage is niet ingevuld)
2.3.
Op 5 september 2022 is [verzoekster] (op kosten van [verweerster] ) gestart met de opleiding Kraamzorg BBL bij HWC Opleidingen. HWC Opleidingen is op 13 december 2022 failliet verklaard. Het faillissement is op 3 oktober 2024 wegens gebrek aan baten opgeheven.
2.4.
[verweerster] heeft met Hiltermann Lease voor de duur van 72 maanden een leaseovereenkomst gesloten terzake van een Citroen C3, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Op 2 december 2022 heeft [verweerster] voor de auto met [verzoekster] een “gebruikersovereenkomst auto van de zaak” gesloten voor de duur van de onderliggende leaseovereenkomst. [verzoekster] betaalt € 150,00 per maand als tegemoetkoming voor het privégebruik van de auto. Dit bedrag wordt maandelijks ingehouden op haar salaris.
2.5.
In de gebruikersovereenkomst van de auto zijn – onder meer – de navolgende bepalingen opgenomen:
Artikel 13 - einde overeenkomst
“3. De overeenkomst eindigt bovendien wanneer:
het dienstverband eindigt, ongeacht de wijze van beëindiging
(…)
werknemer wegens arbeidsongeschiktheid, ziekte of andere redenen meer dan 6 weken geen zakelijke c.q. woon-werkverkeer-kilometers rijdt”
Artikel 14 – inleveren van de auto
(..)
2. Het inleveren van de auto geschiedt
4. na inspectie van de auto door werkgever c.q. de leasemaatschappij.”
(..)
4. Indien werknemer de auto niet tijdig inlevert, verbeurt hij een boete van € 150 voor iedere dag dat hij verzuimt de auto in te leveren, nadat werkgever hem hiertoe bij aangetekende brief heeft aangemaand. In afwijking van het bepaalde in artikel 7:650 lid 3 BW komt de boete ten goede aan de werkgever.”
(..)
6. Indien werknemer weigert de auto (tijdig) in te leveren, kan werkgever tot invordering van de auto overgaan op kosten van werknemer. Zo nodig zal werkgever aangifte doen van diefstal c.q. verduistering.”
Artikel 15 – Gevolgen voortijdige uitdiensttreding werknemer
1. Indien werkgever de auto via een leasecontract ter beschikking heeft gesteld en de werknemer voor afloop van de overeenkomst uit dienst treedt, is hij gehouden het leasecontract over te nemen of de afkoopboete te betalen die werkgever aan de leasemaatschappij verschuldigd is wegens het voortijdig beëindigen van de leaseovereenkomst:
  • werknemer de arbeidsovereenkomst op eigen initiatief beëindigt
  • werknemer wegens een dringende reden/op staande voet wordt ontslagen
2. Werknemer mag in de in lid 1 genoemde situaties kiezen voor overname van het contract of vergoeding van de afkoopboete.
2.6.
Met ingang van 2 december 2024 is [verzoekster] (op kosten van [verweerster] ) gestart met de opleiding tot kraamverzorgende op MBO 3 niveau bij Geboortezorg Academie.
2.7.
Op 26 maart 2025 heeft [verzoekster] zich bij [verweerster] ziekgemeld. Ook heeft zij zich bij Geboortezorg Academie ziekgemeld voor het examen dat gepland stond op 3 april 2025. [verweerster] heeft [verzoekster] per 7 april 2025 beter gemeld.
2.8.
Op 15 april 2025 heeft [verzoekster] zich bij [verweerster] ziekgemeld wegens burn-out klachten. In de tijd tussen de twee ziekmeldingen heeft [verzoekster] niet gewerkt.
2.9.
[verzoekster] heeft zich bij e-mail van 2 mei 2025 wegens ziekte bij Geboortezorg Academie voor het herexamen van 7 mei 2025 afgemeld. Daarbij heeft [verzoekster] aangegeven dat zij zich zodra zij in staat is de opleiding te hervatten beter zal melden.
2.10.
Bij e-mail van 28 mei 2025 (23.58 uur) meldt [verweerster] aan [verzoekster] dat de arbeidsovereenkomst is gesloten in het kader van een BBL-constructie en dat de opleiding feitelijk beëindigd zou zijn. [verweerster] meldt onder meer het volgende:
“(…)
Geen ontslagbescherming bij ziekte in BBL-constructie
Hoewel u zich ziek heeft gemeld, biedt dit in deze situatie geen ontslagbescherming. Artikel 7:670 BW is niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten die uitsluitend zijn aangegaan in verband met een opleiding. Conform artikel 7:667 lid 4 BW eindigt een arbeidsovereenkomst van rechtswege wanneer het onderliggende opleidingstraject niet langer wordt gevolgd. U bevindt zich bovendien niet in een reguliere ziektewetregeling en kunt daaraan geen rechten ontlenen.
Verstoorde arbeidsrelatie
Daarnaast is sprake van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding. Uw herhaaldelijk agressieve, schreeuwende en respectloze houding jegens de directie, in combinatie met structureel onprofessioneel gedrag, vormt een zelfstandige ontslaggrond op basis van artikel 7:669 lid 3 sub h BW (overige omstandigheden).
Verrekening van openstaande vorderingen
Bij beëindiging van het dienstverband zullen de volgende vorderingen worden verrekend met het opgebouwde vakantiegeld, conform artikel 6:127 BW
Leaseauto Citroën C3 (kenteken [kenteken] )
Overnameprijs: € 14.500 incl. btw
Afkoopwaarde via werkgever: € 7.020 incl. btw
Studiekosten bij niet-voltooien opleiding:
Conform artikel 13 arbeidsovereenkomst: € 2.450
Eventuele resterende vorderingen zullen aan u worden gefactureerd. Indien betaling uitblijft, worden deze overgedragen aan een incassobureau of gerechtsdeurwaarder.”
Tevens wordt vermeld dat [verzoekster] geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering. Een vaststellingsovereenkomst is bijgesloten onder de vermelding dat het in het voordeel is van [verzoekster] om deze te ondertekenen omdat ze dan recht heeft op een WW-uitkering. Aan [verzoekster] wordt een termijn voor ondertekening gegeven tot 31 mei 2025 om 12.00 uur. Als [verzoekster] niet tekent zal de arbeidsovereenkomst – bij bevestiging van beëindiging van het opleidingstraject door de opleidingsinstelling – eindigen op 31 mei 2025 om 12.01 uur.
2.11.
Bij e-mail van 30 mei 2025 (13.49 uur) geeft [verweerster] aan dat de uiterste termijn voor het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst vrijdag 30 mei 2025 om 12:00 uur is.
2.12.
Bij e-mail van 31 mei 2025 geeft [verweerster] aan dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd per 30 mei 2025 om 12.01 uur, op grond van (i) beëindiging opleidingstraject, (ii) ernstig verstoorde arbeidsverhouding en (iii) geen toepasselijkheid van artikel 7:670 Burgerlijk Wetboek (BW) vanwege de aard van de overeenkomst. Bij beëindiging van het dienstverband zijn de vorderingen van kracht met betrekking tot afkoopwaarde of overname bedrijfsauto en met betrekking tot studiekosten. Bij uitblijven van betaling zullen de vorderingen worden overgedragen aan incasso of deurwaarder. Bij beëindiging van het dienstverband is [verzoekster] verplicht alle aan haar ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen en eigendommen terug te geven, zij ontvangt hiervoor afzonderlijke instructies. [verzoekster] wordt verzocht binnen 24 uur te laten weten of zij de auto wil afkopen voor € 7.020,- inclusief btw of dat zij de auto overneemt voor € 14.500,- inclusief btw. Als de auto zonder toestemming wordt gebruikt door [verzoekster] behoudt [verweerster] zich het recht voor om aangifte te doen van verduistering van een bedrijfsvoertuig en andere juridische stappen te nemen.
2.13.
Op 1 juni en 2 juni 2025 ontvangt [verzoekster] van [verweerster] e-mails met dezelfde strekking als die van 31 mei 2025.
2.14.
Bij e-mail van 2 juni 2025 aan [verweerster] heeft de gemachtigde van [verzoekster] betwist dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd en dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Daarbij is gesteld dat er geen grond is voor verrekening omdat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd en dat [verzoekster] geen vaststellingsovereenkomst kan sluiten omdat zij ziek is.
2.15.
Bij e-mail van 5 juni 2025 heeft de gemachtigde aangegeven dat [verzoekster] bereid is de auto in te leveren als de grond daarvan gelegen is in haar arbeidsongeschiktheid.
2.16.
Op 10 juni 2025 heeft de bedrijfsarts een probleemanalyse opgesteld, waarin – kort samengevat – is aangegeven dat de werknemer is uitgevallen vanwege ziekte. De klachten zijn deels werk gerelateerd en de werknemer volgt behandeling in de curatieve zorg. Volgens de bedrijfsarts is de verstoorde werkrelatie niet de oorzaak voor de verzuimmelding, maar heeft het wel een negatieve invloed op de ziekteklachten. Re-integratie activiteiten zijn niet mogelijk en geadviseerd wordt om het contact via de juridische ondersteuning te onderhouden.
2.17.
Bij e-mail van 11 juni 2025 heeft de Examencommissie van Geboortezorg Academie aan [verzoekster] bericht dat de opleiding per 30 juni 2025 zou worden beëindigd.
2.18.
De gemachtigde van [verzoekster] heeft [verweerster] verzocht rechtstreeks met de gemachtigde en niet met [verzoekster] zelf te communiceren. [verweerster] heeft aangegeven daartoe niet verplicht en niet bereid te zijn en is rechtstreeks (ook) met [verzoekster] blijven e-mailen.
2.19.
De auto is door [verweerster] geregistreerd bij het Meldpunt Gestolen Voertuigen van de politie. Op 16 juni 2025 is de politie bij [verzoekster] thuis langsgeweest vanwege de melding.
2.20.
Op 24 juli 2025 heeft [verzoekster] de auto ingeleverd.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] verzoekt – nadat zij tijdens de mondelinge behandeling het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingetrokken – de kantonrechter bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
primair
  • te verklaren voor recht dat het gegeven ontslag per 30 mei 2025 nietig is, althans dat sprake is van een beëindiging van de leer-arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW,
  • te verklaren voor recht dat er nog sprake is van een arbeidsovereenkomst,
subsidiair
- de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 31 mei 2025 te vernietigen,
primair en subsidiair
[verweerster] te veroordelen
  • tot het toelaten van [verzoekster] tot haar werkplek en haar in de gelegenheid te stellen de overeengekomen werkzaamheden op de gebruikelijke wijze te verrichten, althans om het re-integratietraject te hervatten, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
  • tot het betalen van het brutoloon van € 1.492,77 (exclusief vakantietoeslag) per maand vanaf 30 mei 2025, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,
  • tot het binnen veertien dagen na betekening van de beschikking verstrekken van (een) schriftelijke, deugdelijke bruto/netto specificatie(s) van het loon en de wettelijke verhoging, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
meer subsidiair
[verweerster] te veroordelen tot het betalen van
  • een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 BW van € 40.000,00 bruto,
  • een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW van € 1.621,00 bruto,
  • een gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 11 BW van € 1.612,19 bruto,
  • de opgebouwde vakantie-uren ter waarde van € 1.338,27,
primair, subsidiair en meer subsidiair
[verweerster] te veroordelen tot het betalen van
  • de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid over de hiervoor genoemde bedragen,
  • de (na)kosten van de procedure.
3.2.
Volgens [verzoekster] is de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege per 30 mei 2025 dan wel 30 juni 2025, de datum waarop de opleiding is beëindigd, geëindigd. Zij voert daartoe aan dat tussen partijen geen ontbindende voorwaarde, ook niet mondeling, is overeengekomen. Noch uit de wet, noch uit de arbeidsovereenkomst volgt dat het einde van rechtswege intreedt. Bovendien is [verzoekster] nog bezig met haar opleiding. Vanwege haar ziekte is deze tijdelijk gestaakt. In de periode van december 2022 tot en met oktober 2024 volgde [verzoekster] ook geen opleiding, hetgeen geen beletsel is gebleken voor voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Daar komt bij dat [verzoekster] arbeidsongeschikt was en nog steeds is, zodat sprake is van een opzegverbod. Ten slotte is het ontslag gekoppeld aan het niet ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst.
3.3.
Daarnaast beroept [verzoekster] zich op artikel 7:681 lid 1 sub a BW, omdat de opzegging in strijd is met artikel 7:671 BW. Er is geen sprake van een rechtsgeldige opzegging, nu [verzoekster] niet schriftelijk heeft ingestemd en er zich geen van de in de wet genoemde situaties voordoet waarin zonder die toestemming mag worden opgezegd. [verzoekster] betwist dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en dat zij zich agressief zou hebben gedragen. Eenmalig heeft [verzoekster] haar stem verheven tijdens een telefoongesprek, waarvoor zij haar excuses heeft aangeboden. Bovendien heeft [verweerster] niet onderzocht of zij [verzoekster] kan herplaatsen.
3.4.
[verweerster] voert verweer en stelt dat de verzoeken bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, moeten worden afgewezen, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten. [verweerster] voert ‑ samengevat ‑ aan dat als ontbindende voorwaarde bij de arbeidsovereenkomst geldt dat [verzoekster] de opleiding tot kraamverzorgende doet. [verzoekster] heeft geen gebruik gemaakt van een (tweede) herkansing, waardoor de opleiding is geëindigd.

4.De zelfstandige (voorwaardelijke) tegenverzoeken van [verweerster]

4.1.
verzoekt voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst per 30 mei 2025, althans per 30 juni 2025, rechtsgeldig is geëindigd en (voorwaardelijk) de arbeidsovereenkomst per datum beschikking of zo spoedig mogelijk daarna te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a BW in combinatie met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e (ernstig verwijtbaar handelen), h (andere omstandigheden), g (verstoorde arbeidsverhouding) of i (combinatiegrond) BW. Het opzegverbod wegens arbeidsongeschiktheid staat niet aan ontbinding in de weg omdat het verzoek geen verband houdt met de gestelde arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] . Dat [verzoekster] nog steeds arbeidsongeschikt is wordt betwist.
4.2.
Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen (e-grond) omdat [verzoekster] zich onvoldoende heeft ingespannen om de opleiding te halen en zich agressief heeft opgesteld jegens [naam 2] , haar praktijkbegeleider. Ook heeft zij langere tijd geweigerd de auto in te leveren en weigert zij de bedrijfseigendommen in te leveren. De transitievergoeding is daarom niet verschuldigd.
4.3.
De andere omstandigheden (h-grond) zijn gelegen in het feit dat [verzoekster] de opleiding niet heeft afgerond, waardoor de leer-arbeidsovereenkomst feitelijk inhoudsloos is geworden omdat ze de bedongen werkzaamheden niet meer kan uitvoeren. [verweerster] is aangesloten bij het Kwaliteitsregister Kraamverzorgenden. In de contractvoorwaarden met de verzekeraar is de eis dat de kraamverzorgende in het Kwaliteitsregister is ingeschreven opgenomen. De verzekeraars zullen dan ook geen vergoeding betalen voor door [verzoekster] geleverde kraamzorg, zodat [verzoekster] niet kan worden ingezet als kraamverzorgster. Dat leidt tot een financieel onhoudbare situatie voor een kleinschalig kraambureau.
4.4.
Omdat [verzoekster] zich meerdere malen agressief jegens haar praktijkbegeleider heeft gedragen kan van [verweerster] niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren vanwege de verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). Ook heeft [verzoekster] zich onbetamelijk gedragen jegens cliënten door te bedelen om geld en heeft zij geweigerd de auto en de bedrijfseigendommen in te leveren. [verweerster] heeft er alles aan gedaan om de verstoorde arbeidsverhouding te herstellen, maar dit was eenrichtingsverkeer en behoort niet langer tot de mogelijkheden.
4.5.
In het geval de voorgaande gronden niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kunnen leiden doet [verweerster] een beroep op de i-grond (combinatie van de eerdergenoemde gronden).
4.6.
Er is geen mogelijkheid om [verzoekster] te herplaatsen. [verweerster] is een kleinschalig bureau, [verzoekster] is de enige werkneemster. Het vertrouwen in haar ontbreekt en er is geen passende functie beschikbaar, ook niet binnen een redelijke termijn of na scholing.
4.7.
Verder verzoekt [verweerster] , na vermindering van haar verzoeken tijdens de mondelinge behandeling, [verzoekster] bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van:
€ 12.000,00, te weten € 150,00 voor iedere dag dat [verzoekster] de auto ongeoorloofd onder zich heeft gehouden (6 mei 2025 tot en met 24 juli 2025),
€ 150,00 eigen risico wegens schade aan de auto,
de afkoopboete van het leasecontract ad € 7.842,94 exclusief btw,
€ 2.450,00 aan gemaakte studiekosten,
€ 126,00 aan invorderingskosten,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum van opeisbaarheid.
4.8.
Voorts verzoekt [verweerster] dat [verzoekster] wordt veroordeeld tot het inleveren van alle bedrijfseigendommen die zij onder zich houdt, waaronder werkkleding met het logo [verweerster] en medische hulpmiddelen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
4.9.
Ten slotte verzoekt [verweerster] dat [verzoekster] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.Het verweer tegen de tegenverzoeken

5.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter het verweer en de tegenverzoeken buiten beschouwing te laten omdat ze te laat zijn ingediend en [verzoekster] onvoldoende de gelegenheid heeft gekregen om hierop te reageren.
5.2.
Mocht het verweer en de tegenverzoeken wel worden toegelaten, dan verzoekt [verzoekster] de verzoeken af te wijzen en [verweerster] in de proceskosten te veroordelen. Tevens verzoekt [verzoekster] de kantonrechter alleen het verzoek op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) toe te laten en de in de pleitnotities opgenomen (voorwaardelijke) tegenverzoeken van [verzoekster] ook in behandeling te nemen. [verzoekster] vraagt zich namelijk ernstig af of zij haar werkzaamheden nog wel kan voortzetten bij [verweerster] .
5.3.
[verzoekster] voert hiertoe primair aan dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst verband houdt met haar ziekte. [verzoekster] is nog steeds arbeidsongeschikt en heeft medische stukken overgelegd. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat er geen gronden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst zijn.
5.4.
[verzoekster] heeft zich niet ernstig verwijtbaar gedragen en heeft recht op de transitievergoeding. Zij heeft haar werk altijd zelfstandig en naar tevredenheid van cliënten uitgevoerd. Zij was gemotiveerd en heeft zich tot haar ziekmelding altijd aan de opleidingsverplichtingen gehouden. Dat zij door ziekte geen gebruik kon maken van de herkansingsmogelijkheid kan haar niet worden verweten. [verzoekster] wilde de auto niet inleveren op basis van de vermeende beëindiging van het dienstverband, maar heeft meerdere keren aangegeven de auto in te willen leveren wegens ziekte. [verweerster] stond dat echter niet toe. De bedrijfseigendommen heeft zij nog niet ingeleverd omdat er nog sprake is van een dienstverband.
5.5.
Dat de arbeidsovereenkomst inhoudsloos is geworden en er geen passend werk is voor [verzoekster] is onvoldoende onderbouwd. [verzoekster] heeft in de periode tussen de opleidingen ook zelfstandig haar functie kunnen uitoefenen, zonder enige begeleiding door [naam 2] .
5.6.
Uit de overgelegde correspondentie blijkt niet dat [verweerster] heeft geprobeerd de verstoorde arbeidsverhouding te herstellen. De verstoring is het gevolg geweest van de manier waarop [verweerster] heeft gecommuniceerd met [verzoekster] vanaf haar ziekmelding. Ook de aangifte bij de politie speelt hierin een rol en de beschuldiging dat [verzoekster] om geld zou hebben gebedeld bij cliënten.
5.7.
Vervolgens betwist [verzoekster] dat [verweerster] invorderingskosten voor haar heeft betaald, dat zij de auto beschadigd, zonder reservesleutel en met een lege tank heeft ingeleverd. Het eigen risico is dan ook niet verschuldigd. Ook heeft [verzoekster] de auto niet te laat ingeleverd, althans kan dat haar niet worden verweten. [verzoekster] heeft geen schriftelijke mededeling dat de gebruiksovereenkomst is geëindigd als gevolg van haar ziekte ontvangen. De termijn is dan ook niet ingegaan en de boete is niet verschuldigd. Ook is de auto niet ongeoorloofd gebruikt. Bovendien is er geen sprake van beëindiging van de arbeidsovereenkomst op initiatief van [verzoekster] of van een ontslag op staande voet, zodat [verzoekster] de afkoopboete niet verschuldigd is. Bovendien wordt de hoogte van de afkoopboete betwist omdat deze niet onderbouwd is.
5.8.
Ten slotte voert [verzoekster] aan dat het studiekostenbeding nietig is, zodat het verzoek tot terugbetaling van de studiekosten moet worden afgewezen.

6.De (voorwaardelijke) tegenverzoeken van [verzoekster]

6.1.
Als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden verzoekt [verzoekster] om veroordeling van [verweerster] bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, tot:
betaling van het loon tot aan de einddatum van het dienstverband,
betaling van de transitievergoeding op grond van artikel 6:673, lid 1 sub a, onder 2 BW,
betaling van de billijke vergoeding op grond van artikel 6:671b, lid 9, sub c BW,
betaling van de opgebouwde vakantie-uren,
het overleggen van schriftelijke en deugdelijke loonspecificaties en een eindafrekening, op straffe van een dwangsom,
betaling van de wettelijke rente,
betaling van de proceskosten.
6.2.
[verzoekster] legt hieraan ten grondslag dat zij recht heeft op voornoemde betalingen, waaronder een billijke vergoeding, nu [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten omdat zij vanaf dat [verzoekster] zich ziek heeft gemeld haar onder druk heeft gezet, hetgeen niet goed was voor haar gezondheid. Ondanks burn-out klachten verzocht [verweerster] haar om zich beter te melden. Daarnaast bleef zij dwingende mails sturen en heeft zij politie langs haar huis gestuurd.

7.De beoordeling van het verzoek

7.1.
Vooropgesteld wordt dat de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling de verzoeken om over en weer stukken buiten beschouwing te laten heeft afgewezen, nu niet gebleken is dat er een zodanige strijd met de procesorde is dat deze niet kunnen worden toegelaten.
ontbindende voorwaarde
7.2.
Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag, of een (geldige) ontbindende voorwaarde is overeengekomen met betrekking tot de arbeidsovereenkomst. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX0348) volgt dat de voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende bescherming van de werknemer, die onder meer tot uiting komt in het wettelijk stelsel van het ontslagrecht, meebrengt dat de geldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst slechts bij uitzondering kan worden aanvaard. Een voorwaarde die redelijkerwijs niet met dat wettelijk stelsel is te verenigen, zal niet tot een beëindiging van rechtswege van de arbeidsovereenkomst kunnen leiden. Van geval tot geval moet worden bezien of een voorwaarde als vorenbedoeld is te verenigen met dat wettelijk stelsel. Daarbij komt het mede aan op de aard, inhoud en context van de voorwaarde. Een ontbindende voorwaarde dient voldoende objectief en duidelijk bepaalbaar te zijn en is niet rechtsgeldig als de werkgever invloed heeft op het intreden van de voorwaarde.
7.3.
[verweerster] heeft gesteld dat de ontbindende voorwaarde mondeling is overeengekomen. Partijen zouden hier uitgebreid over hebben gesproken voorafgaand aan indiensttreding. Indien [verzoekster] de opleiding niet succesvol zou afronden met een diploma, zou dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst van rechtswege betekenen. Dit is gebruikelijk in de kraamzorg-branche. Een en ander was [verzoekster] duidelijk en daarmee heeft zij ingestemd.
7.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter is geen geldige ontbindende voorwaarde overeengekomen. [verzoekster] heeft gemotiveerd betwist dat die afspraak is gemaakt en [verweerster] heeft daar tegenover onvoldoende specifiek toegelicht en onderbouwd waar, wanneer en hoe de voorwaarde zou zijn besproken en afgesproken. Weliswaar is wettelijk niet vereist dat een ontbindende voorwaarde schriftelijk is overeengekomen, maar dat had in de gegeven omstandigheden wel van [verweerster] mogen worden verwacht. Het is immers niet duidelijk en dus onvoldoende objectief bepaald wanneer de gestelde voorwaarde zou intreden. Bovendien heeft [verweerster] wel een andere ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst opgenomen, namelijk overlegging van een VOG door [verzoekster] .
7.5.
Aangezien er geen geldige ontbindende voorwaarde is overeengekomen, is de arbeidsovereenkomst ook niet van rechtswege geëindigd. [verweerster] heeft in strijd met het wettelijke ontslagstelsel de arbeidsovereenkomst per mail van 31 mei 2025 met ingang van 30 mei 2025 doen eindigen. Dit kwalificeert als een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, omdat is opgezegd zonder schriftelijke instemming van [verzoekster] en zich geen van de in de wet genoemde situaties voordoet waarin zonder die toestemming mag worden opgezegd. De primair door [verzoekster] verzochte verklaringen voor recht worden toegewezen. Het ontslag per 30 mei 2025 is nietig, zodat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt en het loon – zoals verzocht – moet worden doorbetaald.
7.6.
De verzochte toelating tot het werk dan wel hervatting van het re-integratietraject, is afhankelijk van de beslissing op het (voorwaardelijke) tegenverzoek van [verweerster] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat komt hieronder aan bod bij de beoordeling van de tegenverzoeken van [verweerster] .

8.De beoordeling van de tegenverzoeken

8.1.
Gelet op wat hiervoor is overwogen wordt het verzoek van [verweerster] om te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst per 30 mei 2025 dan wel 30 juni 2025 rechtsgeldig is geëindigd, afgewezen.
ontbinding van de arbeidsovereenkomst
8.2.
Nu de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd, is de voorwaarde ingegaan waaronder [verweerster] heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden.
8.3.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Verder geldt dat op grond van artikel 7:670 lid 1 BW een werkgever de arbeidsovereenkomst (in beginsel) niet kan opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Ook in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst is dit opzegverbod in beginsel van toepassing (artikel 7:671b lid 2 BW).
e-grond
8.4.
De kantonrechter is van oordeel dat het verwijt dat [verzoekster] zich onvoldoende zou hebben ingespannen voor de opleiding geen doel treft. Enige verslaglegging vanuit [verweerster] of Geboortezorg Academie, dat [verzoekster] lessen of opdrachten miste, ontbreekt. Het kan [verzoekster] niet verweten worden dat zij door ziekte, die zij ook tijdig heeft gemeld bij Geboortezorg Academie, geen herexamen heeft kunnen doen.
8.5.
De gestelde agressieve opstelling van [verzoekster] blijkt enkel uit de correspondentie vanuit [verweerster] na de ziekmelding van [verzoekster] . Kennelijk heeft [verweerster] voorafgaand aan de e-mail van 28 mei 2025 geen aanleiding gezien enige melding hierover vast te leggen, bijvoorbeeld in het personeelsdossier van [verzoekster] . Evenmin heeft [verweerster] het blijkbaar nodig gevonden [verzoekster] eerder schriftelijk duidelijk te maken welk gedrag niet geaccepteerd werd en wat en hoe [verzoekster] dat zou moeten veranderen. Enige toelichting over (een) specifiek(e) voorval(len) heeft [verweerster] niet gegeven. Daar tegenover heeft [verzoekster] toegegeven eenmalig haar stem te hebben verheven. Dat was toen zij door [verweerster] onder druk gezet werd om toch te gaan werken, ondanks de ziekmelding wegens burn-out, waarna zij direct haar excuses heeft aangeboden. [verweerster] heeft dit niet weersproken.
8.6.
Het niet eerder dan 24 juli 2025 inleveren van de bedrijfsauto is geen verwijtbaar gedrag van [verzoekster] . Reeds bij e-mail van 5 juni 2025 is namens [verzoekster] de bereidheid uitgesproken om de bedrijfsauto op grond van arbeidsongeschiktheid in te leveren. In reactie daarop is [verweerster] telkens en ten onrechte blijven volharden dat de arbeidsovereenkomst al op 30 mei 2025 beëindigd was en dat de lease moest worden overgenomen of het leasecontract moest worden afgekocht. Zoals hiervoor is overwogen is het immers onjuist dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd. Bovendien bestond er voor [verzoekster] geen verplichting om het leasecontract over te nemen of de afkoopboete aan de leasemaatschappij te betalen. Dat is volgens artikel 15 van de gebruikersovereenkomst van de auto alleen het geval, als de werknemer de arbeidsovereenkomst op eigen initiatief beëindigt of wegens dringende reden op staande voet wordt ontslagen.
8.7.
De verplichting om bedrijfseigendommen in te leveren is door [verweerster] enkel gestoeld op het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst is niet geëindigd, dus het verwijt van [verweerster] is onjuist.
8.8.
De conclusie is dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten door [verzoekster] . Dat levert dus geen grond op voor ontbinding.
h-grond
8.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerster] onvoldoende onderbouwd dat de arbeidsovereenkomst door het niet afronden van de opleiding feitelijk inhoudsloos is geworden. Het gedurende ruim twee jaar niet volgen van de opleiding van najaar 2022 tot eind 2024 heeft er voor [verweerster] in ieder geval niet aan in de weg gestaan om [verzoekster] in te zetten. Bovendien heeft [verzoekster] een grote verzameling positieve reviews van cliënten overgelegd. Bij lange na komt niet vast te staan dat er andere omstandigheden spelen die zodanig zijn, dat van [verweerster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
g-grond
8.10.
Van de zijde van [verzoekster] is niet betwist dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW, zij het dat [verzoekster] een andere lezing dan [verweerster] heeft over de gang van zaken. De kantonrechter ziet geen redelijke kans op herstel van de verhoudingen binnen afzienbare termijn, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen. Herplaatsing kan naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de orde zijn binnen de kleine onderneming van [verweerster] . Er is dus sprake van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
opzegverbod
8.11.
Tussen partijen is in geschil of [verzoekster] (nog) arbeidsongeschikt is, hetgeen in de weg kan staan aan ontbinding. De arbeidsongeschiktheid is door [verweerster] betwist. Daar tegenover echter heeft [verzoekster] gemotiveerd uiteengezet en door middel van uitgebreide (medische) documentatie onderbouwd, dat sprake is van burn-out, overspannenheid en depressieve klachten. De verslagen van de praktijkondersteuner-GGZ en de huisarts sluiten bovendien aan bij de ziekmelding wegens burn-out en de probleemanalyse van de bedrijfsarts. Duidelijk is dat er sprake is van vele consulten, voorgeschreven medicatie en begeleiding door Cordaan. De betwisting door [verweerster] legt veel te weinig gewicht in de schaal. Naar het oordeel van de kantonrechter is de arbeidsongeschiktheid komen vast te staan en geldt er dus een opzegverbod.
8.12.
In artikel 7:671b lid 6 BW staat dat, ondanks het bestaan van een opzegverbod, de kantonrechter de arbeidsovereenkomst in twee gevallen toch kan ontbinden, namelijk a) als het verzoek om ontbinding geen verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft of b) indien sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen. De kantonrechter is van oordeel dat de onder b) genoemde situatie van toepassing is. Uit de jurisprudentie volgt dat dit aan de orde kan zijn, met name in gevallen waarin de arbeidsrelatie (of een eventuele verstoring daarvan) in de weg staat aan verbetering van de medische situatie van de werknemer.
8.13.
[verweerster] heeft naar het oordeel van de kantonrechter in de omgang met haar zieke werkneemster [verzoekster] de grenzen van het betamelijke meermaals en ver overschreden. In de vele correspondentie met [verzoekster] na haar ziekmelding heeft [verweerster] telkens onterecht verregaande negatieve consequenties in het vooruitzicht gesteld. [verzoekster] is daarbij verkeerd voorgelicht over haar positie en is meermalen bestookt met een (vrijwel onmogelijk) kort ultimatum. [verweerster] heeft gedreigd met deurwaarders en aangifte, bovendien heeft zij ten onrechte daadwerkelijk de politie ingeschakeld. Bij een wegens burn-out ziekgemelde werkneemster was het verzoek, om niet direct met [verzoekster] maar via de gemachtigde te communiceren, niet meer dan begrijpelijk. [verweerster] heeft aan dat verzoek kennelijk opzettelijk geen gevolg gegeven, maar is op dezelfde toon en met dezelfde strekking blijven communiceren. Dat is niet alleen zeer onprofessioneel maar ook ronduit kwalijk.
8.14.
Om [verzoekster] te behoeden voor een moeizaam en spanningsvolle periode van re-integratie bij [verweerster] komt de kantonrechter tot het oordeel dat het in het belang van [verzoekster] is dat er een einde komt aan de arbeidsovereenkomst. Voortzetting van het dienstverband zou aan herstel van [verzoekster] in de weg staan. Op die grond (7:671b lid 6 sub b BW) en niet op grond van enig verwijt aan het adres van [verzoekster] zal de verzochte ontbinding derhalve worden toegewezen, ook al is er sprake van een opzegverbod wegens ziekte.
8.15.
De arbeidsovereenkomst zal dus ontbonden worden met inachtneming van de geldende opzegtermijn van een maand. Met de duur van de procedure wordt in dit geval geen rekening gehouden bij de ontbindingsdatum. Tot aan het einde van het dienstverband is [verweerster] verplicht het loon door te betalen. Op grond van de cao bedraagt dit in de eerste 26 weken ziekte 100% van het loon en in de tweede 26 weken 95%, maar ten minste het voor [verzoekster] geldende wettelijk minimumloon. Tevens heeft [verzoekster] recht op uitbetaling van de opgebouwde vakantie-uren.
vergoedingen [verzoekster]
8.16.
Op grond van artikel 7:673 lid 1 sub a onder 2 BW is [verweerster] aan [verzoekster] een transitievergoeding verschuldigd. Conform het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:365) berekent de kantonrechter de hoogte van de transitievergoeding ambtshalve, met inachtneming van de vastgestelde einddatum van de arbeidsovereenkomst. Bij de datum uit dienst van 1 december 2025, het bruto maandloon van € 1.492,77, 8% vakantiegeld en 7,7% eindejaarsuitkering komt de transitievergoeding op € 1.870,85 bruto.
8.17.
Aangezien het vorenstaande impliceert dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, is naast de transitievergoeding ook een billijke vergoeding toewijsbaar op grond van artikel 7:671b lid 9 onder c BW. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. Het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] na de ziekmelding heeft geleid tot de uitzonderlijke situatie dat in het belang van [verzoekster] de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Het rechtvaardigt bovendien de inschatting dat de arbeidsongeschiktheid en daarmee de loondoorbetalingsplicht twee jaar (vanaf 15 april 2025) zou hebben voortgeduurd. De kantonrechter acht het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, billijk om aan [verzoekster] een vergoeding toe te kennen van € 30.000,00 bruto.
8.18.
[verweerster] krijgt de gelegenheid om het ontbindingsverzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden.
nevenverzoeken [verweerster]
8.19.
De door [verweerster] verzochte contractuele boete van € 12.000,00 wegens ongeoorloofd onder zich houden van de bedrijfsauto wordt afgewezen. Zoals hiervoor onder 8.6 is overwogen heeft [verweerster] in dat verband telkens onterecht gesteld dat de arbeidsovereenkomst al op 30 mei 2025 beëindigd was en dat de lease moest worden overgenomen of het leasecontract moest worden afgekocht. Bovendien heeft [verweerster] niet conform de voorwaarde van artikel 14 van de gebruikersovereenkomst van de auto [verzoekster] bij aangetekende brief aangemaand.
8.20.
Het eigen risico van € 150,00 wordt afgewezen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat schade is geleden.
8.21.
De verzochte afkoopboete van het leasecontract wordt afgewezen. Onder 8.6 is al overwogen dat er voor [verzoekster] geen verplichting bestaat om (het leasecontract over te nemen of) de afkoopboete aan de leasemaatschappij te betalen. Dat is volgens artikel 15 van de gebruikersovereenkomst van de auto alleen het geval, als de werknemer de arbeidsovereenkomst op eigen initiatief beëindigt of wegens dringende reden op staande voet wordt ontslagen.
8.22.
Ten aanzien van de verzochte studiekosten overweegt de kantonrechter het volgende. [verweerster] heeft aan dit verzoek de arbeidsovereenkomst ten grondslag gelegd en verwezen naar de kosten van de opleiding bij HWC Opleidingen. [verweerster] heeft niet gereageerd op het verweer dat het studiekostenbeding nietig is, zij is in het geheel niet teruggekomen op dit verzoek en dit beding. Er is dus ook geen toelichting gegeven op het ontbreken van een glijdende schaal bij het studiekostenbeding, maar de in plaats daarvan opgenomen integrale terugbetalingsverplichting. Evenmin is toegelicht of in het kader van de vereiste kenbaarheid en transparantie duidelijkheid bestond over de werking van het studiekostenbeding; - ziet
“het uit dienst treden”enkel op ontslag door (of wegens gedrag van) de werknemer of ook bij initiatief van de werkgever? - komen de kosten in verband met het faillissement van HWC Opleidingen wel voor vergoeding in aanmerking? - zijn de financiële gevolgen van het beding waarmee ingestemd is voor de werknemer wel duidelijk (gemaakt)? Daarbij komt dat niet is toegelicht of de studiekosten betrekking hebben op scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie, waartoe [verweerster] in verband met de aansluiting bij het Kwaliteitsregister Kraamverzorgenden van het Kenniscentrum Kraamzorg op grond van de cao verplicht is werknemers kosteloos scholing te verstrekken. Bij die stand van zaken acht de kantonrechter de verzochte studiekosten niet toewijsbaar.
8.23.
Ten aanzien van de verzochte invorderingskosten van € 126,00 heeft [verweerster] geen enkele onderbouwing gegeven. De enige onderbouwing van [verweerster] in dit verband had betrekking op een voorschot van € 1.000,00 aan [verzoekster] , waarvan [verweerster] tot aan de intrekking op de mondelinge behandeling terugbetaling verzocht. Onvermeld had zij echter gelaten dat [verzoekster] , na aanmaning door [verweerster] onder dreiging van gerechtsdeurwaarder of incassobureau, binnen de daarbij gestelde termijn reeds op 6 mei 2025 het bedrag had terugbetaald en daarover per e-mail aan [verweerster] had bericht. Het verzoek wordt afgewezen.
8.24.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] de bedrijfseigendommen meegenomen om aan [verweerster] terug te geven. Namens [verweerster] was alleen de gemachtigde aanwezig, die de bedrijfseigendommen niet kon aannemen. De kantonrechter gaat ervan uit dat een praktische afspraak tussen partijen mogelijk is om de bedrijfseigendommen over te dragen en ziet geen aanleiding in dit verband een veroordeling noch een dwangsom uit te spreken.
proceskosten
8.25.
[verweerster] is de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, zowel ten aanzien van de verzoeken van [verzoekster] als ten aanzien van haar eigen verzoeken. [verweerster] wordt daarom veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] . Deze worden tot op heden begroot op (€ 90,00 vastrecht, € 814,00 salaris gemachtigde en € 67,50 nakosten) € 971,50.

9.De beslissing

De kantonrechter
9.1.
verklaart voor recht dat het gegeven ontslag per 30 mei 2025 nietig is en dat er nog sprake is van een arbeidsovereenkomst,
9.2.
veroordeelt [verweerster] tot het betalen van het brutoloon van € 1.492,77 (exclusief 8% vakantietoeslag) per maand vanaf 30 mei 2025 tot aan de einddatum van het dienstverband, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging en met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid van de respectievelijke loonbetalingen,
9.3.
stelt [verweerster] in de gelegenheid om het ontbindingsverzoek uiterlijk 7 november 2025 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij,
voor het geval [verweerster] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
9.4.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [verweerster] en [verzoekster] met ingang van 1 december 2025,
9.5.
veroordeelt [verweerster] tot het betalen van een billijke vergoeding van € 30.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025,
9.6.
veroordeelt [verweerster] tot het betalen van een transitievergoeding van € 1.870,85 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026,
9.7.
veroordeelt [verweerster] tot het betalen van de opgebouwde vakantieuren,
9.8.
bepaalt dat het onder 9.4 tot en met 9.7 gestelde rechtskracht ontbeert, indien het verzoek door [verweerster] uiterlijk op 7 november 2025 wordt ingetrokken,
in alle gevallen
9.9.
veroordeelt [verweerster] tot het binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking verstrekken van (een) schriftelijke, deugdelijke bruto/netto specificatie(s) van het loon en de wettelijke verhoging, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat niet aan de veroordeling wordt voldaan, met een maximum van € 10.000,00,
9.10.
veroordeelt [verweerster] tot het betalen van de kosten van de procedure, aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 971,50,
9.11.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
9.12.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.P.C. van Dam van Isselt, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. B.A. Terwee, griffier.
452