ECLI:NL:RBAMS:2025:7633

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
15 oktober 2025
Zaaknummer
C/13/759652 / HA ZA 24-1263
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot medewerking aan Iraanse religieuze echtscheiding met betrekking tot bruidsgave en onrechtmatige daad

In deze zaak vordert de vrouw dat de man zijn medewerking verleent aan de totstandkoming van een Iraanse religieuze echtscheiding, waarbij de vrouw ook een compensatie in de vorm van de bruidsgave aanbiedt. De partijen zijn op 13 februari 2018 in Iran getrouwd en hebben sindsdien in Nederland gewoond. De vrouw heeft eerder een echtscheidingsverzoek ingediend bij de Rechtbank Oost-Brabant, waaruit bleek dat de echtscheiding volgens Nederlands recht was uitgesproken, maar dat de Iraanse echtscheiding nog niet was afgerond. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de vorderingen van de vrouw, die zijn gebaseerd op onrechtmatige daad. De rechtbank oordeelt dat de vrouw, om een religieuze echtscheiding te verkrijgen, de man moet compenseren, maar dat de man niet verplicht is om mee te werken aan de echtscheiding, omdat de vrouw de Nederlandse echtscheiding heeft aangevraagd. De rechtbank wijst de vorderingen van de vrouw af en veroordeelt de vrouw om binnen twee weken een religieuze echtscheiding aan te vragen bij de Iraanse autoriteiten, met een dwangsom voor het geval zij hier niet aan voldoet.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/759652 / HA ZA 24-1263
Vonnis van 24 september 2025
in de zaak van
[de vrouw] ,
woonplaats kiezende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. D. Rezaie,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 maart 2025;
- een B16-formulier van de man van 9 juni 2025 met aanvullende producties.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 juni 2025. Verschenen zijn partijen hun advocaten alsmede een tolk Farsi voor de vrouw en een tolk Engels voor de man. Van de zijde van de rouw zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op 13 februari 2018 met elkaar getrouwd in Mashhad, Iran. Partijen hadden toen de Iraanse nationaliteit. In de Iraanse huwelijksakte zijn partijen een bruidsgave naar Iraans recht overeengekomen.
2.2.
Op 27 maart 2019 hebben partijen in Nederland huwelijkse voorwaarden gemaakt.
Daarin is opgenomen dat tussen partijen de wettelijke gemeenschap van goederen bestaat,
met uitzondering van een pand gelegen aan de [adres] .
2.3.
De vrouw heeft op 27 november 2020 bij de Rechtbank Oost-Brabant, locatie
‘s-Hertogenbosch een echtscheidingsverzoek ingediend. De rechtbank heeft in die procedure, voor zover van belang, op 12 november 2021 overwogen en beslist:
  • dat op het echtscheidingsverzoek Nederlands recht van toepassing is en de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken;
  • dat het recht van Iran van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen;
  • dat het verzoek tot betaling van de bruidsgave wordt afgewezen omdat onvoldoende
duidelijk is welke munten worden bedoeld;
 dat de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot medewerking aan een Iraanse echtscheiding wegens onvoldoende samenhang met het (Nederlandse) verzoek tot echtscheiding.
2.4.
De uitgesproken echtscheiding is op 11 april 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.5.
De vrouw heeft op 9 februari 2022 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking
van 12 november 2021. De vrouw heeft daarin opnieuw verzocht de man te veroordelen tot
afgifte van de bruidsgave en om mee te werken aan het tot stand komen van de Iraanse
echtscheiding.
2.6.
De man heeft in incidenteel hoger beroep verzocht te bepalen dat de bepaling dat
hij een bruidsgave aan de vrouw dient te voldoen in strijd is met de Nederlandse openbare
orde en goede zeden.
2.7.
Het hof ’s-Hertogenbosch heeft in de tussenbeschikking van 10 augustus 2023
(zaaknummer 200.306.531/01), voor zover van belang, overwogen en geoordeeld dat het
weigeren van de man om mee te werken aan de Iraanse echtscheiding jegens de vrouw
onrechtmatig is. Het hof heeft het verzoek van de vrouw toegewezen en de man veroordeeld
volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan een echtscheiding naar Iraans recht bij de
Iraanse ambassade, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag (met een
maximum van € 25.000,-).
Het hof heeft verder geoordeeld dat toepassing van het Iraanse huwelijksvermogensrecht, en
in het bijzonder de bepaling dat een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak afhankelijk
wordt gesteld van het antwoord op de vraag welke echtgenoot de echtscheiding heeft
verzocht, in strijd is met de openbare orde en buiten toepassing moet blijven. De vraag of de
vrouw aanspraak kan maken op de bruidsgave moet naar Nederlands recht worden
beantwoord. De beslissing is toen aangehouden zodat partijen zich over dit punt konden
uitlaten.
2.8.
Op 11 januari 2024 heeft het hof ‘s-Hertogenbosch een eindbeschikking gewezen.
Hierin is, voor zover van belang, overwogen en beslist dat partijen rechtsgeldig huwelijkse
voorwaarden zijn overeengekomen, waarbij een wettelijke gemeenschap van goederen is
ontstaan met uitzondering van het genoemde pand in [plaats] . Dat betekent dat de
vordering van de vrouw op de man ter zake van de bruidsgave in de wettelijke algehele
huwelijksgemeenschap valt, maar ook dat de schuld van de man aan de vrouw in die
gemeenschap valt. Omdat de vermogensbestanddelen tegen elkaar moeten worden
weggestreept, kan de vrouw geen vordering ten aanzien van de bruidsgave geldend maken.
Het hof heeft het daarmee verband houdende verzoek van de vrouw afgewezen. Tegen de beschikkingen van het gerechtshof zijn geen rechtsmiddelen ingesteld.
2.9.
In het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam te 19 april 2024 heeft de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van de beschikking van 10 augustus 2023 voor zover de man daarin is veroordeeld om op verbeurte van een dwangsom volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het laten tot stand komen van een echtscheiding naar
Iraans recht bij de Iraanse ambassade te Den Haag geschorst, totdat in een bodemprocedure is beslist wie van partijen de Iraanse echtscheiding dient te initiëren en in welke vorm dat moet. De vorderingen van (beide) partijen om de ander te veroordelen mee te werken aan de totstandkoming van de religieuze echtscheiding is afgewezen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de veroordeling van het hof van de man om mee te werken aan de echtscheiding, niet kan worden uitgevoerd zolang onduidelijkheid bestaat over de soort echtscheiding die in gang moet worden gezet en de partij die dat moet doen. In de bodemprocedure moet worden beslist wie van partijen aan welk soort echtscheiding moet meewerken of wie van hen welke procedure moet starten.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te gelasten om binnen vier weken na de datum van het te wijzen vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het bewerkstelligen van de echtscheiding van partijen naar zowel islamitisch als Iraans recht doordat de man onder andere doch niet uitsluitend al dan niet samen met de vrouw bij een in Nederland gevestigde en door de Iraanse ambassade erkende imam/geestelijke verschijnt en vervolgens bij de Iraanse ambassade te Den Haag en zijn toestemming verleent voor het uitspreken van de
talaqen alle andere in dit kader noodzakelijke handelingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 500.000,-;
II. de man te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede in de gebruikelijke nakosten (zowel zonder als met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van de aanzegging daarvan tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
De man vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat de vrouw onrechtmatig handelt jegens de man bij het instellen van een vordering op grond van de bruidsgave in welke jurisdictie dan ook jegens de man en dat de vrouw een dwangsom verschuldigd is aan de man voor iedere dag dat zij een dergelijke procedure aanhangig maakt jegens de man van € 500,- per dag met een maximum bedrag van € 500.000,-;
II. de vrouw te veroordelen de man te compenseren gelijk aan de omvang van de bruidsgave van 500 gouden punten Bahare Azadi voor het realiseren van de Iraanse echtscheiding;
III. de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis een religieuze echtscheiding in de vorm van een
khul-scheiding aan te vragen bij de betreffende (Iraanse) autoriteiten en hierbij te vermelden dat de vrouw de man compenseert gelijk aan de bruidsgave om de echtscheiding te realiseren en alle handelingen te verrichten om deze religieuze echtscheiding te verkrijgen op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 25.000,- als de vrouw deze verplichting niet of niet goed nakomt;
IV. de vrouw te veroordelen in de nakosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de gestelde termijn tot aan de dag van algehele voldoening.
3.5.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure alsmede de nakosten.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie hangen in zodanige mate met elkaar samen dat deze gezamenlijk worden besproken.
Vorderingen tot medewerking Iraanse religieuze echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.
De rechtbank moet eerst vaststellen of de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen op de vorderingen en welk recht zij daarbij moet toepassen. Partijen zijn in 2018 gehuwd in Iran en hebben beide (in elk geval) de Iraanse nationaliteit. Zij hebben beide hun gewone verblijfsplaats in Nederland. De vorderingen van partijen tot medewerking aan de (religieuze) Iraanse echtscheiding zijn gebaseerd op een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). De weigering tot medewerking, en de gestelde gevolgen daarvan doen zich gezien de woonplaats van beide partijen in elk geval voor in Nederland. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv bevoegd van dit geschil kennis te nemen.
4.3.
De Europese Verordening Rome II bepaalt welk recht toepasselijk is op een (gestelde) onrechtmatige daad. Naar Nederlands recht geldt deze verordening ook in gevallen die buiten de eigenlijke materiële werkingssfeer van deze verordening vallen
(art. 10:159 BW). Verordening Rome II is dus in Nederland hoe dan ook toepasselijk.
Artikel 4 lid 2 van de Rome II Verordening bepaalt: “
Indien evenwel degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, en degene die schade lijdt, beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, is het recht van dat land van toepassing.” Op partijen is deze bepaling van toepassing, zodat Nederlands recht van toepassing is.
Inhoudelijk
4.4.
Gebleken is dat partijen al geruime tijd voor de Nederlandse wet van elkaar zijn gescheiden, maar dat zij nog steeds niet voor de Iraanse wet van elkaar zijn gescheiden. Partijen zijn het erover eens dat de Iraanse (religieuze) echtscheiding nog voltrokken moet worden, maar in geschil tussen partijen is welk soort echtscheiding het moet zijn en wie die procedure moet starten. De vrouw stelt dat de man moet worden veroordeeld om mee te werken aan het bewerkstelligen van het Islamitische echtscheiding door middel van de
talaq. Volgens de man is een
khul-scheiding op zijn plaats en dient de vrouw haar medewerking daaraan te verlenen en bij de betreffende (Iraanse) autoriteiten te vermelden dat de vrouw de man compenseert gelijk aan de bruidsgave.
4.5.
Zoals ook reeds door de voorzieningenrechter overwogen, zijn er naar Iraans recht verschillende soorten echtscheiding. Naar Iraans recht kan de man te allen tijde de echtscheiding aanvragen (art. 1133 Iraans Burgerlijk Wetboek, hierna: IBW). Een
talaqis een verstoting door de man op initiatief van de man. De vrouw kan naar Iraans recht ook een echtscheiding aanvragen, maar alleen onder de voorwaarde dat zij haar echtgenoot financiële compensatie aanbiedt, bijvoorbeeld in de vorm van teruggave van de bruidsgave, een zogenaamde
khul-scheiding (artikel 1146 IBW). Partijen kunnen ook gezamenlijk om een echtscheiding vragen, een zogenaamde
mubarat-scheiding (artikel 1147 IBW), maar geen van partijen vordert dat, zodat overblijven de
khulen de
talaq.
4.6.
Het hof heeft bij beschikking van 10 augustus 2023 de man veroordeeld om zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het laten tot stand komen van de echtscheiding naar Iraans recht bij de Iraanse ambassade te Den Haag. Net als de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat deze veroordeling onvoldoende duidelijkheid schept over wie wat moet doen. In de beschikking en de veroordeling van het hof staat niets over welke soort echtscheiding moet plaatsvinden en ook niet wie daartoe welke stappen moet zetten. Het lijkt erop dat dit ook niet voldoende in die procedure aan de orde is geweest of is verzocht. Naar aanleiding van de voorliggende vorderingen in deze procedure zal de rechtbank daar thans op beslissen.
4.7.
Het geschil omtrent de bruidsgave is reeds bij het hof aan de orde geweest en daarover is naar Nederlands recht beslist. Dat neemt niet weg dat de discussie in deze procedure tussen partijen wordt gevoerd in verband met de mogelijke aanspraak in Iran op de bruidsgave naar Iraans recht. Indien de religieuze echtscheiding op initiatief van de vrouw plaatsvindt, dient zij de man naar Iraans recht (financieel) te compenseren. De compensatie is veelal gelijk aan de hoogte van de bruidsgave, waardoor zij haar recht op afgifte van de bruidsgave zal moeten prijsgeven. Indien de man de religieuze echtscheiding zou initiëren, behoudt zij haar recht op de bruidsgave.
4.8.
De vrouw is van mening dat er geen sprake is van een
khul-scheiding. De vrouw stelt dat de man haar heeft mishandeld. Dit zou betekenen dat zich een naar Iraans recht erkende echtscheidingsgrond voordoet en dat de vrouw naar Iraans recht een echtscheiding zou kunnen bewerkstelligen zonder medewerking van de man en zonder de noodzaak om een compensatie te betalen aan de man. Als gevolg van de mishandeling door de man was zij gedwongen om de echtscheiding in Nederland te verzoeken en volgens de vrouw kan dit niet gelijk gesteld worden met de
khul-scheiding. De vrouw stelt nu er geen sprake is van een zwaarwegend belang dat maakt dat de man zijn medewerking mag onthouden, de man veroordeeld dient te worden zijn medewerking te verlenen aan de ontbinding van de Islamitische en tevens Iraanse huwelijk door de
talaquit te spreken.
4.9.
De man betwist dat hij de vrouw zou hebben mishandeld. Volgens de man is het de vrouw geweest die de echtscheiding heeft geïnitieerd en het verzoek bij de rechtbank heeft gedaan. Aangezien het de vrouw is die wenst te scheiden dan is het geen
talaqmaar een
khul-scheiding. De man acht het van belang dat niet in strijd met de waarheid wordt verklaard bij de geestelijke. Medewerking zoals door de vrouw verzocht aan de
talaqis dus niet mogelijk. Bovendien woont de vrouw -met verblijfsvergunning- in verzorgingsstaat Nederland, zodat zij de bruidsgave als financieel vangnet niet nodig heeft.
4.10.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor de keuze tussen
talaqen
khulis van belang welke van de twee de werkelijke gang van zaken tussen partijen juist weergeeft. Vast staat dat de vrouw in Nederland het verzoek tot de Nederlandse echtscheiding heeft ingediend. De vrouw heeft gesteld dat de man haar heeft mishandeld en dat zij als gevolg daarvan gedwongen was om de echtscheiding in Nederland te verzoeken. Dit zou betekenen dat zich een naar Iraans recht erkende echtscheidingsgrond voordoet en dat de vrouw dus naar Iraans recht een echtscheiding zou kunnen bewerkstelligen zonder medewerking van de man en dus zonder de noodzaak om een compensatie te betalen aan de man. De mishandeling is echter door de man betwist en de vrouw heeft haar stelling op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank is om die reden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de vrouw gedurende het huwelijk door de man is mishandeld. De vrouw heeft aldus onvoldoende (onderbouwd) gesteld dat er sprake is van een naar Iraans recht erkende echtscheidingsgrond. Dit betekent dat de vrouw naar Iraans recht, indien zich geen erkende echtscheidingsgrond voordoet, slechts met medewerking van de man een religieuze echtscheiding kan bewerkstelligen. Ter verkrijging van die medewerking moet de vrouw een compensatie aanbieden aan de man. Dit volgt uit de artikelen 1146 en 1147 van het IBW. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man niet behoeft mee te werken aan de
talaqomdat de vrouw de Nederlandse echtscheiding heeft verzocht en verstoting door de man naar Islamitisch recht daaraan geen recht doet. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet van de man worden gevergd dat hij in strijd met de waarheid verklaart de vrouw te verstoten.
4.11.
De vrouw voert aan dat de vordering van de man ter zake de compensatie niet op de wet gegrond is omdat Nederlands recht geen mogelijkheid tot compensatie van de man ter hoogte van de bruidsgave kent. Volgens de vrouw heeft het hof reeds geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is en niet het Iraanse recht. Verder voert de vrouw aan dat voor zover zou kunnen worden aangenomen dat de vrouw naar Iraans recht afstand moet doen van haar recht op de bruidsgave om van de man te kunnen scheiden, hieraan in de Nederlandse rechtsorde geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden vanwege strijd met de openbare orde (artikel 10:6 BW). Volgens de vrouw zou een ander oordeel er namelijk op neerkomen dat de vrouw in feite door middels van een financiële sanctie wordt belemmerd in haar vrijheid om van de man te kunnen scheiden.
4.12.
Naar het oordeel van de rechtbank treffen de stellingen van de vrouw geen doel. Zoals hiervoor is overwogen moet de vrouw bij een
khul-echtscheiding naar Iraans recht compensatie aanbieden. Dat is in dit geval, omdat het debat tussen partijen zich daarop toespitst, de bruidsgave. Uitgangspunt hierbij zijn de beslissing en dragende overwegingen van het hof over de bruidsgave, waartegen geen rechtsmiddel is ingesteld. Het hof heeft hierover geoordeeld dat de bepaling dat een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak afhankelijk wordt gesteld van het antwoord op de vraag welke echtgenoot de echtscheiding heeft verzocht, in strijd is met de openbare orde. Op grond daarvan heeft het hof op de bruidsgave, in plaats van Iraans recht, Nederlands recht toegepast. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat naar Nederlands recht de vrouw geen aanspraak heeft op de bruidsgave omdat zowel de aanspraak als de verplichting van de man tot betaling van de bruidsgave in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen vallen. Compensatie bieden in de vorm van het afzien van de bruidsgave, is dan niet in strijd met de Nederlandse openbare orde.
4.13.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de vordering van de man de vrouw te veroordelen om een religieuze echtscheiding in de vorm van een
khul-scheiding aan te vragen bij de betreffende (Iraanse) autoriteiten en hierbij te vermelden dat de vrouw de man compenseert gelijk aan de bruidsgave om de echtscheiding te realiseren en alle handelingen te verrichten om deze religieuze echtscheiding te verkrijgen, toewijzen. De vordering van de vrouw wordt afgewezen evenals de aparte vordering van de man de vrouw te veroordelen de man te compenseren gelijk aan de omvang van de bruidsgave van 500 gouden munten Bahare Azadi voor het realiseren van de Iraanse echtscheiding, nu dit reeds als na te melden wordt toegewezen. Wellicht ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat de veroordeling van de man tot medewerking aan een Iraanse echtscheiding in de beschikking van 10 augustus 2023 moet worden gelezen in het licht van het voorgaande, dus medewerking aan de
khul-scheiding.
Verklaring voor recht
4.14.
De man vordert voor recht te verklaren dat de vrouw onrechtmatig handelt jegens de man bij het instellen van een vordering op grond van de bruidsgave in welke jurisdictie dan ook. Hij vordert daarbij een dwangsom op te leggen voor iedere dag dat de vrouw een dergelijke procedure aanhangig maakt jegens de man. De man stelt dat procederen omtrent de bruidsgave in welke jurisdictie dan ook jegens de man onrechtmatig is gelet op de uitspraak van het hof waarin het verzoek van de vrouw tot het voldoen van de bruidsgave reeds is afgewezen. Verder voert de man als grondslag voor zijn vordering aan dat de bruidsgave volgens het hof op basis van het Nederlands recht dient te worden beoordeeld en op basis daarvan dient de bruidsgave ook bij ontbinding van het Iraanse religieuze huwelijk volledig kwijtgescholden te worden door de vrouw op grond van artikel 6:248 lid 1 BW.
4.15.
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde vordering van de man neerkomt op een procedeerverbod (ook in Iran). In uitzonderlijke gevallen kan de rechter tot de conclusie komen dat het aanspannen van een procedure onrechtmatig is. De lijn van de hoogste rechter wordt samengevat in een arrest van 1 augustus 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:7369) van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin de bepalende uitspraken van de Hoge Raad worden genoemd: “Uit HR 29 juni 2007 ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 volgt dat pas sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.”
4.16.
Voor zover de man al een juiste grondslag heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de man in het licht van hetgeen onder 4.15. is overwogen, onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom het onrechtmatig is om in Iran of Nederland nog een procedure te starten. Reeds hierom wordt het verzoek van de man afgewezen.
Proceskosten
4.17.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst af de vorderingen van de vrouw;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
5.3.
veroordeelt de vrouw om binnen twee weken na betekening van dit vonnis een religieuze echtscheiding in de vorm van een
khul-scheiding aan te vragen bij de betreffende (Iraanse) autoriteiten en hierbij te vermelden dat de vrouw de man compenseert gelijk aan de bruidsgave om de echtscheiding te realiseren en alle handelingen te verrichten om deze religieuze echtscheiding te verkrijgen op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 25.000,- als de vrouw deze verplichting niet of niet goed nakomt;
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Kloosterhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.K. Soeters op 24 september 2025.