De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 augustus 2025 het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. De opgeëiste persoon werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, strafbare feiten volgens Belgisch recht die ook in Nederland als lijstfeiten gelden.
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon bevestigd en beoordeelde de detentieomstandigheden in België aan de hand van een recente individuele garantie van de Belgische autoriteiten. Deze garantie sluit het eerder aangenomen algemene gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling uit voor deze persoon, waardoor de detentieomstandigheden als toereikend werden beoordeeld.
De verdediging voerde aan dat overlevering in strijd zou zijn met de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, vanwege het belang van het familieleven en de zorg voor drie minderjarige kinderen, waaronder een kind met een hersentumor. De rechtbank oordeelde echter dat de beperking van het familieleven proportioneel is en niet leidt tot een onevenredige aantasting van het welzijn van de kinderen, mede omdat er alternatieve zorgmogelijkheden zijn.
De rechtbank verwierp tevens het verzoek tot aanhouding van de zaak in afwachting van prejudiciële vragen en besloot dat geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn om de beslistermijn te verlengen. Gelet op het ontbreken van weigeringsgronden en het voldoen aan de wettelijke vereisten, werd de overlevering toegestaan.