Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:5957

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 augustus 2025
Publicatiedatum
14 augustus 2025
Zaaknummer
AMS 25/3420
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke rectificatieprocedure

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een procedure die zowel bij de rechtbank Amsterdam als bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State speelde. Verzoeker had twee rectificatieverzoeken ingediend: één op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) en één op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

De rechtbank concludeerde dat de procedure rond het rectificatieverzoek op grond van de Wpg binnen de redelijke termijn was afgerond, waardoor geen schadevergoeding werd toegekend. Voor het rectificatieverzoek op grond van de AVG was de redelijke termijn echter met ruim vijf maanden overschreden, waardoor verzoeker recht had op een schadevergoeding van €500.

De overschrijding werd toegerekend aan zowel de rechtbank als de Afdeling bestuursrechtspraak, waarbij de rechtbank verantwoordelijk was voor 2/9 van de overschrijding en de Afdeling voor 7/9. De schadevergoeding werd verdeeld over de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De rechtbank wees het verzoek om vergoeding van griffierecht en proceskosten af omdat deze niet van toepassing waren.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting en partijen konden binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De beslissing benadrukt het belang van tijdige rechtsgang en het recht op vergoeding bij overschrijding van redelijke termijnen in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe voor overschrijding van de redelijke termijn bij het AVG-rectificatieverzoek en veroordeelt de Staat tot betaling van in totaal €500.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3420

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

en

de korpschef van politie, de korpschef,

en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor een procedure die zowel bij rechtbank Amsterdam [1] als bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [2] aanhangig is geweest.
1.1.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegewezen en geeft hierna aan hoe zij tot dat oordeel komt en tot welke schadevergoeding dat leidt.

Procesverloop

2. In de procedure zijn twee zaken behandeld: een rectificatieverzoek op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) en een rectificatieverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). In de procedure bij de rechtbank zijn deze verzoeken onder afzonderlijke zaaknummers geregistreerd.
2.1.
Verzoeker had tegen de afwijzing van het rectificatieverzoek op grond van de Wpg rechtstreeks beroep ingesteld. Verzoeker heeft tegen het rectificatieverzoek op grond van de AVG een bezwaar en beroep ingediend.
2.2.
Tegen de uitspraak van de rechtbank die over beide verzoeken oordeelde, heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Verzoeker heeft alleen gronden ingediend tegen het rectificatieverzoek op grond van de AVG.
2.3.
Na de uitspraak van de Afdeling heeft verzoeker verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
2.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [3]

Toetsingskader

3. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, is overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is.
3.1.
Als een zaak wordt beslecht door middel van een uitspraak van een rechtbank, is de redelijke termijn twee jaar. Als een zaak wordt beslecht door middel van een uitspraak van een hogerberoepsinstantie, is de redelijke termijn vier jaar.
3.2.
De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren, de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar duren en de behandeling van het hoger beroep maximaal twee jaar duren. Als er geen bezwaarschriftprocedure is gevoerd, omdat er rechtstreeks beroep bij de rechtbank is ingesteld, vangt de termijn aan bij het indienen van het beroepschrift in eerste aanleg. [4] Dit brengt geen verandering in de duur van de redelijke termijn.
3.3.
Voor elk half jaar (of gedeelte daarvan) dat de redelijke termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500,- toegekend.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordeling verzoek in verband met rectificatieverzoek op grond van de Wpg
4. De redelijke termijn is gestart vanaf de ontvangst van het (rechtstreekse) beroepschrift van verzoeker op 21 oktober 2019. Met de uitspraak van de rechtbank van 18 juni 2021 is de procedure geëindigd. Dit rectificatieverzoek is immers in hoger beroep niet langer in geschil. Dit betekent dat de behandeling van dit verzoek minder dan twee jaar heeft geduurd. Er is daarom geen overschrijding van de redelijke termijn.
Beoordeling verzoek in verband met rectificatieverzoek op grond van de AVG
5. De redelijke termijn is gestart vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van verzoeker op 21 oktober 2019. Met de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024 is de procedure geëindigd, zodat de procedure in totaal meer dan vier jaar heeft geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim vijf maanden is overschreden. Verzoeker heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500,-.
5.1.
De volgende vraag die moet worden beantwoord is aan wie deze overschrijding moet worden toegerekend. Het college heeft binnen de redelijke behandelingsduur van zes maanden het besluit op bezwaar genomen. De rechtbank heeft een jaar en acht maanden na het instellen van beroep een uitspraak gedaan op het beroep van verzoeker. Dat betekent dat de redelijke behandelingsduur van het beroep met twee maanden is overschreden. De Afdeling heeft vervolgens twee jaar en zeven maanden na het instellen van hoger beroep een uitspraak gedaan op het hoger beroep van verzoeker. Dat betekent dat de redelijke behandelingsduur van het hoger beroep met zeven maanden is overschreden. Het voorgaande betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn voor 2/9 deel moet worden toegerekend aan de rechtbank en voor 7/9 deel aan de Afdeling.
5.2.
Omdat de overschrijding aan de rechtbank en de Afdeling toe te rekenen is, wordt de vergoeding van de schade uitgesproken ten laste van de Staat. Het deel van de rechtbank moet worden voldaan door de minister van Justitie en Veiligheid en het deel van de Afdeling door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Conclusie en gevolgen

6. De Staat der Nederlanden moet verzoeker een schadevergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft dit ook niet vergoed te worden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het rectificatieverzoek op grond van de Wpg af;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding van € 111,11 wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het rectificatieverzoek op grond van de AVG;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding van € 388,89 wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het rectificatieverzoek op grond van de AVG.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De uitspraak is van 18 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3626.
2.De uitspraak is van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:621.
3.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
4.Zie bijvoorbeeld RvS 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:215.