Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:3376

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
C/13/769562 / HA RK 25-170
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kinderrechter wegens gebrek aan gegronde wrakingsgrond

Verzoekster, verwerende partij in een lopende civiele procedure, diende een wrakingsverzoek in tegen de kinderrechter die haar zaak behandelde. Het verzoek was gebaseerd op de afwijzing van een uitstelverzoek en de stelling dat verzoekster niet goed op de hoogte was gehouden van de voortgang van de procedure.

De wrakingskamer oordeelde dat een rechterlijke beslissing, zoals de afwijzing van een uitstelverzoek, geen grond tot wraking kan zijn volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarnaast was de bewering dat verzoekster onvoldoende geïnformeerd was niet onderbouwd en werden geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die tot wraking konden leiden.

De wrakingskamer wees het verzoek dan ook af en benadrukte het vermoeden van onpartijdigheid van de rechter. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kinderrechter is afgewezen wegens gebrek aan gegronde wrakingsgrond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 20 mei 2025 ingekomen en onder rekestnummer C/13/769562 / HA RK 25-170 ingeschreven verzoek van:
[verzoekster] ,
verzoekster,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende te [detentieplaats] ,
gemachtigde mr. M. Aynan,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. C.M. Mellema, kinderrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling achter gesloten deuren van deze rechtbank op 20 mei 2025 met daarin opgenomen het verzoek tot wraking.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.De feiten en het verzoek

2.1.
Verzoekster is verwerende partij in de procedure met zaaknummer C/13/ 729657 / FA RK 23-1056 die bij de rechter in behandeling is.
2.2.
Bij de mondelinge behandeling op 20 mei 2025 is onder meer het volgende verklaard:
“Mr Aynan: U geeft aan mijn uitstelverzoek af te wijzen. Als de rechtbank het verzoek tot uitstel afwijst heeft cliënte mij geïnstrueerd u te wraken.
De rechtbank: U moet uw wrakingsverzoek dan nader onderbouwen met de gronden voor de wraking.
Mr. Aynan: Mr. Crince le Roy heeft in december 2024 een bericht gestuurd aan de rechtbank dat cliënte zonder advocaat zit. Hoewel het haar primaire verantwoordelijkheid is om een advocaat te zoeken meen ik toch dat gezien haar kwetsbaarheid door de detentie; het gebruikelijk is dat dan een advocaat wordt toegevoegd.
Verder ben ik zeer recentelijk bij de zaak betrokken, en heb ik met mijn vliegtickets onderbouwd dat ik pas recent ben teruggekomen van vakantie en dat ik mij niet eerder kon stellen of voorbereiden.
Ik begrijp dat de wederpartij een tijdige afwikkeling wenst, maar mijn cliënte heeft ook een belang bij een gedegen verweer in de zaak.
Ik meen dat het belang van mijn cliënte van een degelijke voorbereiding en behandeling van de zaak voorgaat op het belang van de wederpartij bij tijdige afhandeling.
Het voorgaande maakt dat bij mij de indruk is gewekt dat de schijn van vooringenomenheid dan wel van onpartijdig in het geding is.
Cliënte heeft ook aangegeven dat zij niet goed op de hoogte is gehouden van de voortgang in de procedure. Desgevraagd, ja dat is ook een grond van de wraking.”

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn
aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
3.3.
In zijn arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
3.4.
Het bezwaar van verzoeker betreft een beslissing van de rechter om de behandeling van de zaak niet aan te houden. Een rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven. De stelling dat verzoekster niet goed op de hoogte is gehouden van de voortgang van de procedure, is niet onderbouwd. Behoudens bijzondere omstandigheden, die niet zijn aangevoerd, is dit evenmin een grond tot wraking.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
 wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Deze beslissing is ondertekend door de oudste rechter, omdat de voorzitter daartoe niet in staat is.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.