Uitspraak
1.De procedure
- productie 6 van [eiseres]
- de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 7
- producties 8 t/m 13 van [gedaagde]
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak staat centraal of tussen eiseres en gedaagde een huurovereenkomst is ontstaan over de woning die eiseres huurt van Eigen Haard. Na het beëindigen van hun relatie in 2023 heeft eiseres de woning verlaten, terwijl gedaagde achterbleef. Eiseres vordert ontruiming van de woning omdat gedaagde zonder recht of titel verblijft.
De kantonrechter stelt vast dat geen sprake is van medehuurderschap of onderhuur en dat het erom gaat of de overeenkomst tussen partijen als huurovereenkomst kan worden aangemerkt. Hoewel gedaagde een vergoeding betaalde, gebeurde dit al tijdens hun samenwoning en was er geen intentie om een huurovereenkomst te sluiten. Eiseres heeft onderbouwd dat zij de woning niet vrijwillig verliet en gedaagde wist hiervan.
De kantonrechter wijst het verweer van rechtsverwerking af omdat eiseres steeds heeft aangedrongen op vertrek van gedaagde. Gezien het belang van eiseres en het feit dat gedaagde al twee jaar de tijd heeft gehad om woonruimte te vinden, wordt gedaagde veroordeeld de woning binnen vier weken te ontruimen. De vordering tot uitschrijving uit de BRP wordt afgewezen wegens onvoldoende belang. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen vier weken en betaling van proceskosten.