ECLI:NL:RBAMS:2025:10799

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
13/281856-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees Aanhoudingsbevel met betrekking tot een Poolse gedetineerde

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een Poolse gedetineerde op basis van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB). De zaak werd behandeld in de Internationale Rechtsulpkamer, waarbij de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot in behandeling nemen van het EAB heeft beoordeeld. De opgeëiste persoon, geboren in 2000 in Polen, is momenteel gedetineerd in Nederland en heeft de Poolse nationaliteit. Tijdens de zitting op 16 december 2025 was de opgeëiste persoon aanwezig, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, en een tolk. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet (OLW) en dat er geen weigeringsgronden zijn voor de overlevering. De opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf maanden, waarvan nog zes maanden en zesentwintig dagen resteren. De rechtbank oordeelt dat de enkele wens van de opgeëiste persoon om in Nederland te resocialiseren onvoldoende is voor overname van de straf. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat voor de detentieomstandigheden in Polen, en dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander op basis van artikel 6a OLW. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/281856-25
Datum uitspraak: 30 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 24 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 juli 2025 door
the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Piłavan 10 oktober 2024 met kenmerk III K 529/24.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van elf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zes maanden en zesentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel;
eenvoudige belediging.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

5.1
Standpunt van de raadsman
Hoewel de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, verzoekt de raadsman de zaak aan te houden om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit het certificaat en het veroordelende vonnis op te vragen ten behoeve van strafovername door Nederland. Het gaat om een korte gevangenisstraf en het is daarom in het belang van de opgeëiste persoon dat hij in Nederland zijn straf kan uitzitten en zodoende in Nederland kan resocialiseren.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om de in Polen opgelegde straf over te nemen, omdat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling. De opgeëiste persoon staat sinds augustus 2025 ingeschreven in Nederland. Dat de opgeëiste persoon desalniettemin zou voldoen aan de voorwaarden voor gelijkstelling is niet met stukken onderbouwd.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander op grond van artikel 6a OLW. De enkele wens van de opgeëiste persoon om in Nederland te resocialiseren, is onvoldoende. Overname van de straf door Nederland is alleen aan de orde wanneer de opgeëiste persoon voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander zoals opgenomen in artikel 6a, negende lid, OLW. Die situatie doet zich hier niet voor. Het verzoek tot aanhouding wordt daarom afgewezen.

6.Artikel 11 OLW

6.1
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU en Poolse rechtsstaat
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
6.2
Poolse detentieomstandigheden
6.2.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat gevraagd moet worden waar de opgeëiste persoon in Polen zal worden gedetineerd. Hoewel er geen algemeen gevaar is aangenomen voor de detentie-instellingen in Polen voor gedetineerden die een gevangenisstraf moeten uitzitten, worden de mensenrechten niet zonder meer in alle detentie-instellingen voor veroordeelde gedetineerden gewaarborgd.
6.2.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om aanvullende vragen te stellen, omdat de rechtbank geen algemeen gevaar heeft aangenomen voor de executie van vrijheidsstraffen in Poolse detentie-instellingen.
6.2.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat zij in eerdere uitspraken steeds tot het oordeel is gekomen dat geen algemeen reëel gevaar bestaat dat veroordeelde gedetineerden in penitentiaire inrichtingen in Polen onmenselijk of vernederend worden behandeld. De raadsman heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd, waaruit zou kunnen volgen dat een dergelijk algemeen reëel gevaar bestaat.
Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een concreet gevaar voor de opgeëiste persoon. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de behandeling van het EAB aan te houden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover informatie in te winnen en garanties te vragen dan ook af.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 266, 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Poznań, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van V.C. Vermeulen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).