Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.Samenvatting
‘personal bunq account’. De curator heeft bunq begin maart 2019 benaderd met het verzoek om een van de rekeningen op naam van [gefailleerde] te deblokkeren. Uiteindelijk heeft bunq het account gedeblokkeerd, waardoor [gefailleerde] al zijn rekeningen bij bunq (tijdelijk) weer heeft kunnen gebruiken en nieuwe rekeningen heeft kunnen openen. [gefailleerde] heeft vervolgens buiten het zicht van de curator voor een bedrag van opgeteld € 314.902,37 aan betalingen op deze rekeningen ontvangen en weer afgeschreven/opgenomen. De curator vordert dit bedrag in deze procedure van bunq. De curator grondt haar vordering op artikel 20, 23 en 24 van de Faillissementswet (Fw) en de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit volgens haar volgt dat bunq de rekeningen op naam van [gefailleerde] geblokkeerd had moeten houden en het totaal aan debiteringen aan de boedel moet afdragen. bunq betwist de vordering van de curator en zegt dat de bank het account, en dus alle rekeningen van [gefailleerde] , op verzoek van de curator en conform de voorwaarden van bunq heeft gedeblokkeerd. Ook betwist bunq dat de wettelijke bepalingen en jurisprudentie waarop de curator zich beroept meebrengen dat bunq gehouden is het gevorderde bedrag aan de boedel af te dragen.
2.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties;
3.De feiten
‘personal bunq account’zelf nieuwe IBAN nummers te creëren. Klanten die een dergelijk account hebben, kunnen daarin (afhankelijk van het type account) tot 25 IBAN nummers aanmaken.
personal bunq accountmet acht IBAN nummers (hierna: het account). Op 18 december 2018 heeft bunq het account geblokkeerd voor debiteringen.
e-mails luiden als volgt:
4.Het geschil
- i) € 314.902,37, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 22 februari 2022;
- ii) een bedrag van € 3.349,51 aan buitengerechtelijke incassokosten; en
- iii) de proceskosten.
4 maart 2019 (moment van deblokkering) tot en met 21 oktober 2019 (moment van hernieuwde blokkering). Deze betalingen kwalificeren als actief dat tijdens het faillissement is verworven en vallen op grond van artikel 20 Fw Pro in de boedel. bunq had de rekeningen van [gefailleerde] geblokkeerd moeten houden en is daarom gehouden om dit bedrag aan de boedel af te dragen. Deze afdrachtplicht volgt uit artikel 23 en Pro 24 Fw en de arresten
Huijzer q.q./Rabobank,
ING/ Manning q.q.en
RFH/ Wittekamp q.q., aldus de curator.
5.Beoordeling
Huijzer q.q./Rabobank,
ING/ Manning q.q.en
RFH/ Wittekamp q.q.van de Hoge Raad relevant. Partijen geven een verschillende uitleg aan deze wettelijke bepalingen en jurisprudentie en in het bijzonder het begrip ‘fixatiebeginsel’.
RFH/ Wittekamp q.q.– dat de afdrachtplicht alleen geldt als een debitering na de faillissementsdatum wijziging heeft gebracht in het per datum faillissement bestaande credit- of debetsaldo van de bankrekening van de schuldenaar. De debiteringen door bunq in de periode 4 maart 2019 — 21 oktober 2019 zijn niet ten laste gegaan van het creditsaldo op de faillissementsdatum. Er is dus geen sprake van een wijziging in het per datum faillissement bestaande creditsaldo. Het actief ten tijde van de faillissementsdatum is dus niet verminderd, aldus bunq.
zoals dat per faillissementsdatum bestond, wordt niet gevolgd. Deze beperking volgt niet uit de Faillissementswet of de jurisprudentie van de Hoge Raad. Uit het arrest
RFH/ Wittekamp q.q.volgt weliswaar dat de curator hetgeen na de faillissementsdatum aan een schuldeiser is betaald slechts van deze schuldeiser kan terugvorderen voor zover die betaling resulteert in een vermindering van het actief of een vermeerdering van het passief van de boedel, maar niet dat de datum van het faillissement daarbij als pijlmoment heeft te gelden. In dit arrest ging het bovendien om het geval dat de bankrekening van de gefailleerde op de faillissementsdatum al een debetsaldo vertoonde, waardoor de betaling aan de schuldeiser niet resulteerde in een vermindering van het actief of vermeerdering van het passief van de boedel (deze raakte de boedel dus niet). [2] Dit arrest is op de onderhavige casus dan ook niet van toepassing.
Huijzer q.q./
Rabobanken
ING/ Manning q.q.op een aantal punten afwijken van de onderhavige casus. In het bijzonder gaat het in dit geval om een combinatie van (een groot aantal) debiteringen én crediteringen en hebben deze plaatsgevonden geruime tijd na de faillissementsdatum. Dat is echter geen reden om aan te nemen dat voor de bank slechts een afdrachtplicht bestaat – zoals bunq betoogt – indien en voor zover de boedel per saldo door de crediteringen en debiteringen van de bankrekening(en) is gebaat. Dat past niet in het systeem van de Faillissementswet. Alle debiteringen zijn het gevolg geweest van betalingsopdrachten van [gefailleerde] . Ten aanzien van de rekeningen die geblokkeerd moesten blijven, was hij hiertoe niet bevoegd.
aande gefailleerde op grond van artikel 20 Fw Pro in beginsel in de boedel vallen, maar betalingen
doorde gefailleerde op grond van artikel 23 Fw Pro in beginsel ongeldig zijn. Of de boedel aan de mogelijk door [gefailleerde] gesloten overeenkomsten van geldlening gebonden is, is een kwestie tussen de curator en de betreffende schuldeisers.
- i) de curator het betalingsverkeer niet heeft gemonitord;
- ii) het beroep van de curator op de afdrachtplicht misbruik van recht oplevert; en
- iii) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Huizer q.q./Rabobanken
ING/ Manning q.q.heeft gegeven duidelijk zijn. Dat de interne organisatie van bunq kennelijk zo is (althans was) ingericht dat het heeft kunnen gebeuren dat een failliet tot een bedrag van ruim € 300.000 betalingen heeft kunnen doen van zijn rekeningen bij de bank, moet voor rekening en risico van bunq blijven.
6.De beslissing
mr. W.B. Fonville, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.