Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10771

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
C/13/780012 / HA RK 25-442
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 lid 3 RvArt. 39 lid 5 RvArt. 6 lid 3 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in faillissementsprocedure Rabobank

Verzoekers, schuldenaren in een faillissementsprocedure aangespannen door Rabobank, dienden een wrakingsverzoek in tegen de rechter wegens vermeende vooringenomenheid en partijdigheid. Zij stelden dat de rechter te veel op de hand was van Rabobank, bewijsstukken niet toeliet en onvoldoende aandacht gaf aan hun verweren.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en overwogen dat de rechter uit hoofde van haar functie wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn van partijdigheid. De kamer concludeerde dat de wrakingsgronden vooral betrekking hadden op procesbeslissingen en de beperkte toets die in faillissementsprocedures geldt, welke niet leiden tot een gegronde vrees voor vooringenomenheid.

Ook de opmerking van de rechter na het wrakingsverzoek werd niet als bewijs van partijdigheid gezien. Nieuwe wrakingsgronden die tijdens de zitting werden ingebracht, werden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de wettelijke voorschriften. Het wrakingsverzoek is daarom afgewezen en de faillissementszaken worden voortgezet.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer
Rekestnummer HA RK 25/442
Zaaknummer C/13/780012
Uitspraak: 18 december 2025
Beslissing op het wrakingsverzoek van:
[verzoeker 1]en
[verzoeker 2]uit [woonplaats]
verzoekers,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. C.H. Rombouts, rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank (wrakingskamer) heeft kennisgenomen van:
- het proces-verbaal van de zitting van 9 december 2025 met daarin tevens opgenomen het wrakingsverzoek;
- de schriftelijke reactie van de rechter op het verzoek.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
1.3.
Het wrakingsverzoek is door de wrakingskamer behandeld op de openbare terechtzitting van 12 december 2025 alwaar verzoekers en de rechter zijn gehoord. Verzoekers hebben een pleitnota overgelegd.
1.4.
De uitspraak is bepaald op uiterlijk 24 december 2025.

De feiten

2.1.
De wrakingskamer gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.
2.2.
Verzoekers zijn als gerekestreerden betrokken in procedures bij deze rechtbank, afdeling Privaatrecht, team Insolventie. De wederpartij in die procedures is de Rabobank, die heeft verzocht tot faillietverklaring van verzoekers. De procedures zijn ingeschreven onder zaaknummers C/13/765952 / FT RK 25.227 en C/13/765953 / FT RK 25.228.
2.3.
De rechtbank heeft de zaken behandeld op 9 december 2025. Tijdens de behandeling hebben verzoekers de rechter gewraakt en is de behandeling van de zaken geschorst.

Het verzoek en de gronden daarvan

3.1.
Het verzoek tot wraking is – samengevat – gebaseerd op de volgende gronden. Verzoekers vinden dat de rechter op de zitting te veel op de hand was van de wederpartij en te weinig aandacht besteedde aan hun bezwaren tegen faillietverklaring. Verzoekers hadden een reactie op iedere vordering of hadden deze al betaald. De rechter heeft de onderbouwing dat verzoekers wel aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen echter weggewuifd en zij heeft te veel relevantie toegekend aan de WSNP-zaak. De rechter heeft ook geen aandacht besteed aan het argument dat de hypotheek door de Rabobank te vroeg is opgezegd. Daarnaast heeft de rechter tweemaal bewijs niet toegelaten, te weten een telefonische opname op het kantoor van de notaris en betaalbewijzen waarmee de vordering van de Rabobank wezenlijk werd betwist. Nadat de rechter was gewraakt heeft zij ook nog gezegd “dat had ik wel verwacht” waaruit eveneens haar vooringenomenheid blijkt.
3.2.
Verzoekers hebben op de zitting van de wrakingskamer deze gronden nader toegelicht. Verzoekers hebben nogmaals gewezen op het niet toelaten van bewijsstukken, de ongelijke behandeling bij betwisting van bewijs en het negeren van essentiële inhoudelijke verweren door de rechter. Daarnaast hebben zij een aantal nieuwe wrakingsgronden aangevoerd. De rechter wilde maar tien minuten uittrekken voor de zaak, terwijl het omvangrijke dossiers betreffen. Verzoekers kregen daarbij slechts kort spreektijd en werden afgekapt, terwijl de Rabobank alle ruimte kreeg. Ook heeft de rechter een quote uit de media gebruikt en heeft zij in haar reactie nog gesproken van een strategische wraking. Aan het eind van de zitting kreeg de gemachtigde van de Rabobank bovendien de gelegenheid om het proces-verbaal van de zitting (met daarin de gronden van het wrakingsverzoek) mede te dicteren. Al deze omstandigheden bevestigen volgens verzoekers de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter.

Het standpunt van de rechter

4. De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de zaken van verzoekers niet met vooringenomenheid of partijdigheid heeft behandeld. Ook ziet zij niet in dat in objectieve zin de schijn daarvan is ontstaan. Zij kan zich niet voorstellen dat zij heeft gezegd dat de zaak in tien minuten afgedaan moest worden. Zij had juist meer tijd beschikbaar dan gebruikelijk dus dat de zaak in tien minuten moest worden afgedaan klopt niet. De betreffende procedure is echter naar zijn aard wel beperkt in duur en beoordelingsruimte en daarin passen ook geen bewijsverrichtingen. Er was gebleken van een vordering van de Rabobank en van steunvorderingen. De rechter heeft niets wat door verzoekers is aangevoerd weggewuifd, maar is wel kritisch geweest ten aanzien van wat er in deze procedure naar voren kon worden gebracht. De rechter hoorde geen nieuwe argumenten en wilde daarom het onderzoek sluiten en mondeling uitspraak doen. Zij wilde dit gaan uitleggen, maar is toen gewraakt. De opmerking “dat had ik wel verwacht” is gedaan na de wraking. Maar de rechter had, door het verloop van de zitting, wel het gevoel dat verzoekers elk middel zouden aangrijpen om een uitspraak – en daarmee de faillietverklaring – te voorkomen.

De beoordeling van het verzoek

5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
5.2.
Als uitgangspunt heeft namelijk te gelden dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
De wrakingskamer beoordeelt of hier sprake van is aan de hand van de wrakingsgronden zoals deze op de zitting van 9 december 2025 zijn voorgedragen en in het proces-verbaal zijn opgenomen, met de toelichting daarop op de zitting van de wrakingskamer.
De wrakingskamer overweegt als volgt.
5.3.
Verzoekers hebben op de zitting van de wrakingskamer de wrakingsgronden nader toegelicht, maar – zoals hiervoor vermeld onder 3.2. – ook nieuwe wrakingsgronden aangevoerd. Dit later aandragen van wrakingsgronden is in strijd met de wet waarin staat dat alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen [1] . De gronden die zien op de duur van de zitting, de bemoeienis van de wederpartij met het proces-verbaal en de gestelde quote van de rechter, kunnen niet worden gezien als nadere toelichting op de op
9 december 2025 voorgedragen wrakingsgronden. De wrakingskamer zal deze nieuwe wrakingsgronden dan ook buiten beschouwing laten en niet verder beoordelen.
5.4.
Ten aanzien van de wrakingsgronden die voorliggen overweegt de wrakingskamer als volgt. Verzoekers zijn als schuldenaren betrokken in een procedure na een verzoek tot faillietverklaring. Vooropgesteld wordt dat een rechter in deze procedure slechts summierlijk onderzoekt of blijkt van “het bestaan van feiten of omstandigheden welke aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en het vorderingsrecht van de schuldeiser” [2] . Met de term ‘summierlijk’ wordt tot uitdrukking gebracht dat het bewijs van de feiten of omstandigheden niet hoeft te voldoen aan de regels van bewijsrecht in burgerlijke zaken. 'Summierlijk blijken' betekent dat het bestaan (de gegrondheid) van de (zowel hoofd- als steun)vordering(en) na een kort, eenvoudig onderzoek moet blijken. [3] De rechter heeft toegelicht dat bij de rechtbank Amsterdam normaalgesproken tien minuten wordt uitgetrokken voor de behandeling van een verzoek tot faillietverklaring.
5.5.
Verzoekers lijken een andere verwachting te hebben gehad van de mondelinge behandeling gezien hun gronden gericht tegen het niet toelaten van bewijs en de weging van het door hen overgelegde materiaal door de rechter. Dat verzoekers hierdoor het gevoel hadden niet gehoord te worden door de rechter lijkt dan ook met name het gevolg te zijn geweest van de aard van de procedure en beperkte toets die de bewuste procedure kent. Kort gezegd bestaat de indruk dat verzoekers inhoudelijk veel wilden aanvoeren tegen het verzoek van de Rabobank en uitvoerig wilden onderbouwen dat zij wel degelijk financiële mogelijkheden hadden om hun schuldeisers te betalen. Zij werden hierin door de rechter echter afgeremd, gezien de beperkte toets die zij in deze procedure moet hanteren. Voor zover de wrakingsgronden zien op het hanteren van die beperkte toets door de rechter, kunnen zij dan ook niet slagen. Daar komt bij dat deze gronden betrekking hebben op procesbeslissingen van de rechter. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad [4] komt de wrakingskamer geen oordeel toe over de juistheid van een procesbeslissing. De reden hiervoor is dat tegen een beslissing van de rechter doorgaans een rechtsmiddel kan worden ingesteld waarbij dit aan de orde kan komen. Ook over de motivering van een procesbeslissing mag de wrakingskamer geen oordeel geven, zelfs niet als het gaat om een door verzoeker onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. Alleen als de motivering van een procesbeslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, kan dat tot een ander oordeel leiden. Daarvan is hier geen sprake.
5.6.
Ook het feit dat de rechter na het gedane wrakingsverzoek heeft gezegd “dat had ik wel verwacht” levert geen grond op voor een dergelijke zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid. De uitspraak is gedaan nadat het wrakingsverzoek was gedaan en de rechter heeft ook toegelicht dat dat gevoel bij haar kennelijk in de loop van de zitting is ontstaan. Ook hier ziet de wrakingskamer dat hierbij een rol speelde dat verzoekers een andere verwachting hadden van de mondelinge behandeling van het verzoek dan wat deze feitelijk inhield en hierover tijdens de zitting tussen de rechter en verzoekers een discussie ontstond die uiteindelijk resulteerde in de wraking. Dat de rechter deze wraking op een gegeven moment als het ware voelde aankomen en deze gevoelens ook uitsprak, geeft noch op zichzelf noch in samenspraak met de andere gronden blijk van vooringenomenheid.
Het verzoek tot wraking zal dan ook worden afgewezen.

BESLISSING:

De rechtbank (wrakingskamer):
- wijst het wrakingsverzoek af;
- bepaalt dat de zaken met zaaknummers 11505801 CV25-2039, 11509937 CV25-2146 en 11509941 CV25-2147 worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevonden.
Aldus gegeven door mr. P.B. Martens, voorzitter, mrs. R.A. Dudok van Heel en
B.C. Langendoen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2025 in
tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.

Voetnoten

1.Artikel 37 lid 3 Rv Pro
2.Artikel 6 lid 3 Faillissementswet Pro
3.Hoge Raad 22 augustus 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2413
4.Zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.