Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10718

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
C/13/778263 / HA RK 25-386
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 39 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoekers, betrokken als gedaagden in drie procedures bij de rechtbank Amsterdam, dienden een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid. Zij stelden dat de rechter stukken had toegelaten die te laat waren ingediend en dat de wederpartij ongebruikelijk veel spreektijd kreeg, waardoor zij zich niet goed konden voorbereiden en de procesorde werd geschonden.

De rechter verdedigde zijn beslissingen door te stellen dat hij de procedure zorgvuldig wilde laten verlopen met inachtneming van hoor en wederhoor, en dat de spreektijd niet vooraf was beperkt. Er was voldoende gelegenheid voor verzoekers om te reageren, ook via schorsingen.

De wrakingskamer oordeelde dat de subjectieve indruk van verzoekers onvoldoende was om de objectieve schijn van partijdigheid te rechtvaardigen. De motivering van de rechter was niet zodanig dat deze als vooringenomenheid kon worden opgevat. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de procedures werden voortgezet in de stand van zaken ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens ontbreken van objectieve schijn van partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer
Rekestnummer HA RK 25/386
Zaaknummer C/13/778263
Uitspraak: 16 december 2025
Beslissing op het wrakingsverzoek van:
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
V.D.H. Kringgroep Haarlemmermeer, gevestigd te Amsterdam
[verzoeker 2] ,wonende in [woonplaats]
[verzoeker 3], wonende in [woonplaats]
verzoekers,
gemachtigde: [gemachtigde 1]
welk verzoek strekt tot wraking van mr. C.W. Inden, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank (wrakingskamer) heeft kennisgenomen van:
- het proces-verbaal van de zitting van 3 november 2025 met daarin opgenomen het wrakingsverzoek;
- de schriftelijke reactie van de rechter op het verzoek van 9 december 2025.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
1.3.
Het wrakingsverzoek is door de wrakingskamer behandeld op de openbare terechtzitting van 12 december 2025 alwaar verzoekers – V.D.H. vertegenwoordigd door
[gemachtigde 2] – hun gemachtigde en de rechter zijn gehoord.
1.4.
De uitspraak is bepaald op uiterlijk 24 december 2025.

De feiten

2.1.
De wrakingskamer gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.
2.2.
Verzoekers zijn als gedaagden betrokken in procedures bij deze rechtbank, afdeling Privaatrecht, team Kanton. De eisende partij in die procedures is de gemeente Amsterdam. De procedures zijn ingeschreven onder zaaknummers 11505801 CV25-2039, 11509937 CV25-2146 en 11509941 CV25-2147.
2.3.
De drie zaken van verzoekers zijn op de zitting van 3 november 2025 door de rechter gevoegd behandeld. Tijdens de behandeling heeft de gemachtigde na overleg met verzoekers de rechter gewraakt en is de behandeling van de zaken geschorst.
Het verzoek en de gronden daarvan
3. Verzoekers hebben – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan hun wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft, ondanks de bezwaren die verzoekers daartegen maakten, stukken in het geding toegelaten die door de wederpartij buiten de wettelijke termijn zijn ingediend. Daarnaast heeft de rechter toegestaan dat de wederpartij negen pagina’s spreekaantekeningen kon inbrengen, wat de omvang van de gebruikelijk spreektijd van tien minuten te buiten gaat. Hier hebben verzoekers zich niet op kunnen voorbereiden. Dit is in strijd met de goede procesorde en levert een procesachterstand op bij verzoekers. Bovendien was de houding van de rechter vanaf het begin van de zitting al gericht op een snelle afdoening van de zaken, waardoor er geen zorgvuldige behandeling plaats kon vinden. Al deze omstandigheden samen hebben bij verzoekers het gevoel laten ontstaan dat de rechter vooringenomen is.

Het standpunt van de rechter

4. De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vooringenomenheid. Het wrakingsverzoek ziet op twee procedurele beslissingen. Hij heeft inderdaad stukken toegelaten, ook al waren deze deels te laat ingediend, maar heeft daarbij aangegeven dat het zijn rol is om tijdens de procedure hoor en wederhoor in het oog te houden. De rechter wilde echter kunnen beslissen op basis van alle relevante informatie. De rechter heeft gezegd dat afhankelijk van het beroep van de eisende partij op de ingebrachte stukken bekeken zou worden hoe verzoekers en hun gemachtigde voldoende gelegenheid zouden krijgen daarop te reageren. Het gebruik van spreekaantekeningen door een partij is gebruikelijk. Noch in het toepasselijke procesreglement noch in het tussenvonnis van de kantonrechter is bepaald hoeveel spreektijd partijen zouden krijgen; er was ook geen reden de spreektijd op voorhand te beperken. Uiteraard zouden verzoekers en hun gemachtigde ook gelegenheid krijgen het woord te voeren. De snelheid van het proces heeft de rechter niet belangrijker geacht dan de kwaliteit. Er was voor de zaken twee uur uitgetrokken en de rechter wilde deze tijd goed gebruiken, zonder dat dit ten koste zou gaan van hoor en wederhoor. Daarom heeft hij verzoekers en hun gemachtigde op voorhand meegedeeld dat hij hierop zou letten en dat zij, indien nodig, de gelegenheid zouden krijgen om tijdens een schorsing de stukken te bestuderen of daarop alsnog schriftelijk te reageren.

De beoordeling van het verzoek

5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
5.2.
Als uitgangspunt heeft namelijk te gelden dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
5.3.
Voor dat oordeel hebben verzoekers tegenover de toelichting van de rechter onvoldoende gesteld. Dat verzoekers de houding en de procesbeslissingen van de rechter als vooringenomen hebben ervaren betekent niet dat daarmee de objectieve schijn van partijdigheid is gewekt. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er bovendien tegen dat (de motivering van) een procesbeslissing grond kan vormen voor wraking. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter [1] . Daarvan is hier naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake. De rechter heeft bij het toelaten van de stukken juist uitdrukkelijk opgemerkt dat hij goed in de gaten zal houden dat er voldoende ruimte is voor hoor en wederhoor. De rechter heeft daarbij aangegeven dat de behandeling van de zaken zo nodig geschorst zou worden om verzoekers en hun gemachtigde in de gelegenheid te stellen stukken te bestuderen en daarop te reageren. Dit geldt ook voor het toelaten van de spreekaantekeningen; de omvang daarvan (negen pagina’s) is niet uitzonderlijk voor een zitting waarop drie zaken worden behandeld en waarvoor twee uur is uitgetrokken. Anders dan verzoekers tijdens de zitting hebben betoogd, is de reactie van de eisende partij (in dit geval de gemeente) bovendien juist – mede – bedoeld om te reageren op het (schriftelijke) verweer van de gedaagde partij(en) (in dit geval verzoekers). Ook is er geen reden om eraan te twijfelen dat de rechter voldoende gelegenheid zou bieden aan verzoekers om op het pleidooi van de wederpartij te reageren.

BESLISSING:

De rechtbank (wrakingskamer):
- wijst het wrakingsverzoek af;
- bepaalt dat de zaken met zaaknummers 11505801 CV25-2039, 11509937 CV25-2146 en 11509941 CV25-2147 worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevonden.
Aldus gegeven door mr. P.B. Martens, voorzitter, mrs. R.A. Dudok van Heel en
B.C. Langendoen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025 in
tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.

Voetnoten

1.Zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.