ECLI:NL:RBAMS:2025:10696

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 oktober 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
13/179060-25 (zaak A), 13/209533-25 (zaak B), 13/002150-25 (TUL), 13/079914-25 (TUL) en 23/001199-24 (TUL)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor huisvredebreuk en vernieling met functioneel daderschap en bijzondere voorwaarden

Op 10 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan huisvredebreuk en tweemaal vernieling van een cilinderslot. De rechtbank heeft de zaken, aangeduid als zaak A en zaak B, gevoegd behandeld. De verdachte, geboren in 1990 en zonder vaste woon- of verblijfplaats, is op 9 juli 2025 aangehouden. De tenlastelegging omvatte onder andere het medeplegen van huisvredebreuk en vernieling van het cilinderslot van de voordeur van de woning van de aangeefster. De rechtbank heeft de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken van de vernieling van de inboedel, maar heeft hem wel schuldig bevonden aan de overige tenlastegelegde feiten. De rechtbank heeft een gevangenisstraf van acht weken opgelegd, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn bipolaire stoornis en eerdere veroordelingen. De rechtbank heeft bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. Tevens is een locatieverbod opgelegd voor de duur van drie jaren, met vervangende hechtenis voor overtredingen van dit verbod. De rechtbank heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke veroordelingen afgewezen om de interventies niet te frustreren.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/179060-25
(zaak A)en 13/209533-25
(zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13/002150-25, 13/079914-25 en 23/001199-24
Datum uitspraak: 10 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentie-instelling] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.A.C. ter Steeg, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting is aan verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
in zaak A:
het medeplegen van vernieling van de inboedel en/of een cilinderslot van [aangeefster] in de periode van 27 mei 2025 t/m 11 juni 2025;
in zaak B:
1. het medeplegen van huisvredebreuk in de woning aan [adres] , bij [aangeefster] in gebruik, door de woning binnen te dringen op 9 juli 2025;
2. vernieling van het cilinderslot van de voordeur van [aangeefster] in de periode van 1 t/m 10 juli 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de
bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd. Ten aanzien van zaak A feit 1 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat er door de chaos in de woning sprake is van vernieling van de inboedel.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Partiele vrijspraak in zaak A (met betrekking tot de inboedel)
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de inboedel heeft vernield, beschadigd of in een toestand heeft gebracht waardoor de inboedel niet meer gebruikt kan worden voor het doel waarvoor het is bestemd, zodat hij van dit gedeelte zal worden vrijgesproken.
Nu verdachte de overige tenlastegelegde feiten heeft bekend en door de raadsvrouw geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv) met een opsomming van de bewijsmiddelen.
De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:
Ten aanzien van zaak A:
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 oktober 2025;
een proces-verbaal aangifte inclusief fotobijlagen met nummer 250611-1109-963 van 11 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerd pag. 5 en 6 en 42 t/m 51 (dig).
Ten aanzien van zaak B
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 oktober 2025;
een proces-verbaal aangifte met nummer PL1300-2025169800-8 van 9 juli 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pag. 11 t/m 14 (dig.).
4.3.1.
Overweging in zaak A (met betrekking tot het cilinderslot) en zaak B onder 2
Blijkens de verklaring van verdachte heeft hij niet zelf de sloten uitgeboord, maar heeft hij opdracht gegeven aan een slotenmaker. Iemand kan ook als pleger van een delict worden aangemerkt als hij de feitelijke gedraging niet zelf heeft uitgevoerd, bijvoorbeeld indien sprake is van functioneel daderschap. Hiervoor is vereist dat de verweten gedraging aan verdachte kan worden toegerekend. Toerekening is naar vaste rechtspraak [1] alleen mogelijk indien verdachte erover heeft kunnen beschikken of deze gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden en zodanig gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door verdachte werd aanvaard, dan wel dat hij dit placht te aanvaarden.
Verdachte heeft zeggenschap uit kunnen voeren over degene die feitelijk handelde (de slotenmaker) en heeft derhalve kunnen beschikken of deze gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden. Door aan de slotenmaker opdracht te geven, heeft hij ook aanvaard dat de onrechtmatige gedragingen konden plaatsvinden. De feiten kunnen derhalve aan verdachte worden toegerekend. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het tweemaal vernielen van het cilinderslot.
4.3.2.
Overweging ten aanzien van zaak B onder 2
Gelet op het feit dat verdachte op 9 juli 2025 is aangehouden en hij heeft verklaard voorafgaand aan zijn aanhouding ongeveer twee weken in de woning te hebben vertoefd, acht de rechtbank bewezen dat het gaat om de periode van 1 juli 2025 t/m 9 juli 2025. Verdachte wordt van het overige gedeelte (10 juli 2025) van de periode vrijgesproken.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A
in de periode van 27 mei 2025 t/m 11 juni 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een cilinderslot, dat aan [aangeefster] , toebehoorde, heeft vernield;
ten aanzien van zaak B onder 1
op 9 juli 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, in de woning [adres] te Amsterdam, bij [aangeefster] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
ten aanzien van zaak B onder 2
in de periode van 1 juli 2025 t/m 9 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk het cilinderslot van de voordeur, dat aan [aangeefster] toebehoorde, heeft vernield.

5.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1.
Strafeis van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur
van 8 weken, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel zoals bedoeld in artikel 38v
van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen inhoudende een locatieverbod voor het woonadres van [aangeefster] , voor de duur van drie jaren en toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van één week (zeven dagen) voor iedere keer dat verdachte zich niet aan de maatregel houdt.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft verzocht direct mondeling uitspraak te doen gelet op de duur van de voorlopige hechtenis van verdachte.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals
daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
6.3.1.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk en tweemaal het vernielen van het slot van de woning van zijn moeder. Verdachte heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de eigenaar van de woning en op het huisrecht. Met deze gedragingen heeft hij gevoelens van angst en onveiligheid bij haar veroorzaakt.
6.3.2.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 4 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vernieling en huisvredebreuk.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering van 6 oktober 2025, opgemaakt door [reclasseringswerker] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
In het gesprek met de reclassering erkent verdachte hulp nodig te hebben en hiervoor open te staan. Hij is echter al jaren in zorg bij GGZ InGeest, en het lukt niet om behandel- en/of begeleidingsafspraken met verdachte te maken, waardoor behandeling niet van de grond komt. Verdachte is gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis. Wanneer hij onder invloed is van middelen, vertoont hij verward, mogelijk psychotisch gedrag. Sinds februari 2024 is verdachte dakloos en sindsdien lijkt het steeds slechter met hem te gaan. Hij komt sindsdien vaker in beeld bij politie en justitie.
Om verdachte aansluitend op een verplichte klinische opname in behandeling te houden, zou een forensisch kader ondersteunend kunnen zijn. Door meerdere partijen wordt gezien dat verdachte geen pro-criminele houding heeft, maar het hem vooral niet lukt om binnen het vrijwillige kader hulp te blijven accepteren, ondanks dat hij in gesprekken aangeeft hier voor open te staan. Mogelijk dat de zogenoemde stok achter de deur van een forensisch kader helpend kan zijn.
Reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en
daarbij de volgende bijzondere voorwaarden te stellen: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole.
6.3.3.
Straf en maatregel
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de
straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In vergelijkbare zaken wordt, omdat
de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers vanuit het oogpunt van
vergelding en normbevestiging dat rechtvaardigen, doorgaans een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf opgelegd.
Daarnaast heeft de rechtbank bij het bepalen van (de duur van) de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte in de zaak met rekestnummer
25/7685, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) is verleend.
De rechtbank acht het van belang dat verdachte, als hij eenmaal voldoende gestabiliseerd is, de noodzakelijke begeleiding in de maatschappij krijgt. De rechtbank zal daarom als extra waarborg dat verdachte niet opnieuw de fout in gaat een deel van de straf voorwaardelijk opleggen en daar de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan koppelen. Gelet hierop wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie.
Alles tezamen vindt de rechtbank een gevangenisstraf van acht weken met aftrek van het voorarrest, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. De rechtbank heeft, zoals eerder genoemd, aan verdachte een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, Wfz voor de duur van zes maanden verleend. Omdat deze zorgmachtiging bij voorraad uitvoerbaar is, zal verdachte in afwachting van plaatsing in een kliniek gedetineerd blijven in [detentie-instelling] op grond van artikel 9, tweede lid, sub h, van de Penitentiaire beginselenwet.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)
Daarnaast ziet de rechtbank ter beveiliging van [aangeefster] aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte op te leggen voor de duur van drie jaren, inhoudende een locatieverbod. Het locatieverbod zal gelden voor het woonadres van [aangeefster] . Voor iedere keer dat verdachte dit verbod overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van één week (zeven dagen), met een maximum van zes maanden.

7.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/002150-25

Bij de stukken bevindt zich de op 23 september 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/002150-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 23 mei 2025 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot één week niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De
rechtbank zal echter, om de onder 6.3.3 genoemde interventies niet te frustreren, de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel afwijzen.

8.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/079914-25

Bij de stukken bevindt zich de op 23 september 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/079914-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 12 mei 2025 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De
rechtbank zal echter, om de onder 6.3.3 genoemde interventies niet te frustreren, de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel afwijzen.

9.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 23/001199-24

Bij de stukken bevindt zich de op 23 september 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 23/001199-24, betreffende het onherroepelijk geworden arrest d.d. 4 oktober 2024 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot één maand niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De
rechtbank zal echter, om de onder 6.3.3 genoemde interventies niet te frustreren, de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel afwijzen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 38v, 38w, 47, 57, 138 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A en zaak B onder 2:
telkens: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen
Ten aanzien van zaak B onder 1:
medeplegen van het in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
8 (acht) weken.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
4 (vier) weken, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen veertien dagen na het ingaan van de proeftijd bij Leger des heils Reclassering te [locatie] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
- Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door GGZ InGeest of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na de klinische opname of aansluitend op detentie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
- Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft in een nader te onderzoeken instelling voor beschermd wonen of
maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na de klinische opname of zo spoedig mogelijk. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
- Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
- Meewerken aan middelencontrole
Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol/drugs/specifiek middel om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Maatregel
Legt aan de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid
inhoudende een locatieverbod voor de
duur van 3 (drie) jaren.
Het locatieverbod houdt in dat de veroordeelde:
- zich niet zal bevinden/ophouden aan [adres] te Amsterdam.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (één) week
voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes)
maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde
maatregel niet op.
Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/002150-25,
Wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging van de straf met parketnummer 13/002150-25,
voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 23 mei 2025.
Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/079914-25
Wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging van de straf met parketnummer 13/079914-25,
voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 12 mei 2025.
Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 23/001199-24
Wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging van de straf met parketnummer 23/001199-24,
voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 4 oktober 2024.
Voorlopige hechtenis
Heft ophet bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Thomas, voorzitter,
mrs. C.C.J. Maas-van Es en D.G. Bertsch, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2025.
[(...)]