ECLI:NL:RBAMS:2025:10447

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
13/254099-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees Aanhoudingsbevel uit Letland met betrekking tot de opgeëiste persoon

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door Letland. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1993 in Letland, die momenteel gedetineerd is. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 9 december 2025 gehoord, waarbij de officier van justitie, mr. A. Keulers, aanwezig was. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.W. Ebbink, en een tolk in de Letse taal. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd met 30 dagen en de gevangenhouding bevolen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, omdat niet aan de vereisten van artikel 6a van de Overleveringswet (OLW) is voldaan. De rechtbank oordeelt dat belastingaangiften geen objectieve gegevens zijn om het inkomen te onderbouwen. Daarnaast is er een individueel gevaar vastgesteld voor de opgeëiste persoon met betrekking tot de detentieomstandigheden in Letland, wat leidt tot de beslissing om de overlevering aan te houden. De rechtbank heeft een redelijke termijn van dertig dagen vastgesteld voor het verkrijgen van aanvullende informatie over de detentieomstandigheden.

De rechtbank heeft de zaak heropend en de beslissing over de overlevering aangehouden, met de mogelijkheid om de zaak opnieuw in te plannen op 21 januari 2026 of uiterlijk tien dagen daarna. De termijn voor de uitspraak is verlengd met zestig dagen, en de gevangenhouding is eveneens verlengd. De rechtbank heeft bevolen dat de opgeëiste persoon en een tolk voor de Russische taal worden opgeroepen voor de volgende zitting.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/254099-25
Datum uitspraak: 23 december 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 8 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 februari 2019 door
the Prosecutor General's Office of the Republic of Latvia,Letland
(hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] (Letland),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
nu gedetineerd in [detentie plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem, die waarnam voor zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Letse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt:
Een
Daugavpils Court judgment of 21 November 2013 (entered into legal force on 3 December 2013)met referentie 11181000813 (hierna: vonnis 1);
Een
Daugavpils Court judgment of 8 September 2015 (entered into legal force on 25 September 2015)met referentie 11181010113 (hierna: vonnis 2);
Een
Daugavpils Court decision of 10 October 2016 (entered into legal force on 21 October 2016)(hierna: beslissing tot tenuitvoerlegging).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de procedures die tot vonnis 1 en 2 hebben geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van die straf resteren volgens het EAB nog tien maanden.
De vrijheidsstraffen ten aanzien van vonnis 1 en vonnis 2 zijn aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij de beslissing van vonnis 2 heeft een samenvoeging met de straf van vonnis 1 plaatsgevonden en bij de beslissing van 10 oktober 2016 is de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf van vonnis 2 bevolen.
Vonnis 1, vonnis 2 en de beslissing tot tenuitvoerlegging betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1
Inleiding
Naar aanleiding van aanvullende vragen van het openbaar ministerie van 19 november 2025 hebben de Letse autoriteiten op 3 december 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“In relation to Part D of the European Arrest Warrant (EAW), we indicate the following – [opgeëiste persoon] personally participated in both court hearings in which the cases was examined on the merits and in which a suspended custodial sentence was imposed. Specifically, [opgeëiste persoon] was present at the hearing of the Daugavpils Court on 21 November 2013 in criminal case No. 11181000813, as well as at the hearing of the Daugavpils Court on 8 September 2015 in criminal case No. 11181010113.
Furthermore, the decision of the Daugavpils Court of 10 October 2016 was adopted within the framework of the aforementioned criminal case No. 11181010113, deciding to enforce the custodial sentence of 10 (ten) months imposed on [opgeëiste persoon] by the judgment of the Daugavpils Court of 8 September 2015, as the convicted person failed to comply with the obligations set during the probation period, namely, he did not report to the State Probation Service and did not attend psychological counselling sessions.
Thus, the provisions of Section D of the EAW are not applicable to this case.”
4.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman voert aan dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De opgeëiste persoon is niet aanwezig geweest bij de procedure die heeft geleid tot de beslissing tot tenuitvoerlegging van 10 oktober 2016 en het is onduidelijk in hoeverre de schuldvraag in deze procedure aan de orde is geweest. Uit de stukken blijkt niet dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Ook is geen garantie gegeven voor een hoger beroep of een nieuw proces. De overlevering kan worden geweigerd.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de beslissing tot tenuitvoerlegging niet hoeft te worden getoetst aan artikel 12 OLW. De beslissing betreft immers een kale omzetting in verband met het niet naleven van voorwaarden, waarbij de schuldvraag niet aan de orde is geweest. Daarbij is de hoogte van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf niet veranderd. Omdat uit het EAB en de aanvullende informatie van 3 december 2025 volgt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de procedures die hebben geleid tot vonnis 1 en 2, hoeft de beslissing tot tenuitvoerlegging niet te worden getoetst aan artikel 12 OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing en de overlevering kan worden toegestaan.
4.4
Oordeel van de rechtbank
De vrijheidsstraf van tien maanden is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd bij vonnis 2. Bij de beslissing tot tenuitvoerlegging van 10 oktober 2016 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [4] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit is in deze zaak geen sprake. De omzetting heeft plaatsgevonden wegens het niet naleven van voorwaarden.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 10 oktober 2016 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. [5] Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd. Omdat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de procedures die tot vonnis 1 en 2 hebben geleid, vallen deze ook niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.

5.Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Letland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

6.1
Standpunt van de raadsman
Voor het geval de overlevering niet wordt geweigerd op grond van artikel 12 OLW, verzoekt de raadsman om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland. De opgeëiste persoon verblijft al tien jaar rechtmatig in Nederland. Sinds 27 december 2019 staat hij in Nederland ingeschreven. De raadsman heeft ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer stukken overgelegd, waaronder een huurovereenkomst van 20 juni 2020 en een overzicht van de inkomsten van de opgeëiste persoon. Voor de periode van de jaren 2020 tot en met 2024 heeft de raadsman belastingaangiften overgelegd. De raadsman voert aan dat belastingaangiften objectieve stukken zijn, omdat de Belastingdienst door de werkgever gemelde inkomsten automatisch invult. Voor het jaar 2025 heeft de raadsman drie loonstroken overgelegd. Op basis van deze loonstroken kan een berekening worden gemaakt van het gemiddelde inkomen in het jaar 2025 worden gemaakt en dat is hoger is dan 50% van de bijstandsnorm.
6.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Omdat belastingaangiften volgens vaste jurisprudentie van de rechtbank niet kwalificeren als objectieve gegevens, is met de overgelegde stukken niet aangetoond dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaar voldoende inkomen heeft gegenereerd. In tegenstelling tot een belastingaanslag, die wordt vastgesteld door de Belastingdienst nadat het in de belastingaangifte opgegeven inkomen is gecontroleerd, geven individuen bij het doen van een belastingaangifte zelf de hoogte van het inkomen op. In theorie is het daarbij mogelijk om in een belastingaangifte een hoger inkomen op te geven dan daadwerkelijk is verdiend. Het feit dat de Belastingdienst bepaalde inkomsten automatisch invult in de belastingaangifte, doet niet af aan het feit dat deze nog kunnen worden gewijzigd of aangevuld. Aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt niet voldaan. De overlevering kan worden toegestaan.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling, omdat met de overgelegde stukken niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
In verband met de inschrijving in Nederland vanaf 2019 en de overgelegde huurovereenkomst, stelt de rechtbank vast dat er aanwijzingen zijn dat de opgeëiste persoon gedurende lange tijd in Nederland woont. De rechtbank constateert echter dat voor de periode van de jaren 2020 tot en met 2024 alleen afbeeldingen van delen van belastingaangiftes zijn overgelegd. De onderbouwing van het inkomen met de overgelegde belastingaangiften over de jaren 2020 tot en met 2024 schiet tekort, omdat belastingaangiften geen objectieve stukken zijn. Op basis van deze gegevens alleen kan de rechtbank dan ook niet beoordelen of de opgeëiste persoon reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht die niet louter marginaal en bijkomstig is. De rechtbank wijst hierbij ook op de Vreemdelingencirculaire 2000, waaruit blijkt welke gegevens als bewijsmiddel worden geaccepteerd door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND). De IND neemt belastingaangiften in haar beoordeling mee als steunbewijs, maar deze kunnen zonder aanvullende stukken niet de basis vormen om het inkomen te onderbouwen.
In verband met het voorgaande is niet voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Het beroep op gelijkstelling slaagt niet. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de toetsing van de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.

7.Artikel 11 OLW: Letse detentieomstandigheden

7.1
Inleiding
De rechtbank heeft, onder meer in haar uitspraken van 21 februari 2024 [6] en 19 september 2024, [7] geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat gedetineerden in Letland aan een onmenselijke of vernederende behandeling worden blootgesteld. Het algemene gevaar ziet met name op het bestaan van een informele hiërarchie onder gedetineerden (het ‘kastenstelsel’) in de Letse gevangenissen, met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten als gevolg. Dat betekent dat de rechtbank ook in deze zaak concreet en nauwkeurig moet beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon dit gevaar zal lopen na overlevering aan Letland.
Bij brief van 26 november 2025 heeft de
Prison Administrationin Riga aanvullende informatie verstrekt over de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon. Daarin staat onder meer het volgende:
“In reply to Question 1 in the request, the Administration informs that the person concerned will be initially placed in the Riga Central Prison, Remand Prison Unit in case of his extradition to the Republic of Latvia.”
(…)
7.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman voert aan dat de verstrekte informatie het vastgestelde algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie in Letland voor de opgeëiste persoon niet wegneemt en dat dus een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon bestaat. Inhoudelijk is er in de detentie-instellingen niets veranderd en de realiteit is anders dan wat in de detentiegarantie wordt omschreven. De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen gevolg te geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren.
7.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank de beslissing op het EAB aan te houden om aanvullende vragen te stellen aan de Letse autoriteiten. De aanvullende informatie is uitgebreid, maar te algemeen en te weinig toegespitst op de situatie van de opgeëiste persoon. Hiermee is het onduidelijk hoe de concrete situatie van de opgeëiste persoon er na de overlevering uit zal zien.
7.4
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de Letse autoriteiten met de verstrekte aanvullende informatie onvoldoende antwoord gegeven op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel. De informatie die is gegeven, is van algemene aard en ziet niet of nauwelijks op de concrete situatie van de opgeëiste persoon. Zo wordt alleen informatie verschaft over algemene maatregelen die worden genomen en wordt gesproken over alle detentie-instellingen in Letland in plaats van specifiek de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst.
Gelet op het voorgaande is het vastgestelde algemene gevaar niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. Bij deze stand van zaken is er voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar dat hij in detentie in Letland onmenselijk of vernederend zal worden behandeld.
Nu er een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon wordt aangenomen, moet de rechtbank de beslissing over de overlevering aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in de omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is die situatie hier niet aan de orde, omdat het niet ondenkbaar is dat aanvullende informatie wordt verstrekt waarmee het algemene gevaar alsnog voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen.
Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van dertig dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (op 21 januari 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat nagegaan kan worden of binnen de redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 26 december 2025. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij de beslistermijn verlengen met zestig dagen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met zestig dagen.

8.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting op 21 januari 2026 of uiterlijk tien dagen daarna.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk voor de Russische taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 23 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
5.HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 77.