ECLI:NL:RBAMS:2025:10446

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
13/234843-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot een Poolse verdachte

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Circuit Court in Sosnowiec. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie tot overlevering van de opgeëiste persoon, geboren in 1997 in Polen, behandeld. De opgeëiste persoon was aanwezig op de zitting, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, en een tolk. De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet (OLW) en dat er geen weigeringsgronden zijn die aan de overlevering in de weg staan. De rechtbank heeft het genoegzaamheidsverweer van de raadsman verworpen, omdat de rechtbank van oordeel is dat de informatie in het EAB voldoende is om de overlevering te rechtvaardigen. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, omdat niet is voldaan aan de vereisten van de Vreemdelingenwet. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, ondanks de zorgen over de detentieomstandigheden in Polen, omdat de Poolse autoriteiten voldoende garanties hebben gegeven over de detentieomstandigheden. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan op basis van de artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/234843-25
Datum uitspraak: 23 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 3 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 augustus 2025 door
the Circuit Court in Sosnowiec, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
decision of the Circuit Court in Sosnowiecvan 15 mei 2025 met referentie IV K 120/24.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Genoegzaamheid

4.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de overlevering te weigeren, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, onder e, OLW. In zowel de originele versie van het EAB, als in de Nederlandse vertaling, is als pleegplaats alleen de [pleegplaats] in Nederland vermeld. Het is onduidelijk in welke plaats in Nederland het feit zou zijn gepleegd.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie merkt op dat de plaatsnaam ontbreekt in het EAB. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het EAB desondanks genoegzaam is. De enige [pleegplaats] in Nederland ligt in de plaats Arnhem. Bovendien loopt het strafrechtelijk onderzoek nog, waardoor de verdenking naar vaste jurisprudentie van de rechtbank nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn. Zelfs in het geval dat alleen Nederland als pleegplaats zou zijn genoemd, zou het EAB genoegzaam zijn.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving in het EAB - mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek - voldaan aan bovengenoemde eisen. In de omschrijving in het EAB staat immers dat de opgeëiste persoon in Polen wordt verdacht van een mishandeling op 1 december 2018 bij de [pleegplaats] in Nederland, waarbij de naam van het slachtoffer staat vermeld. De rechtbank stelt met de officier van justitie vast dat deze straat alleen in de plaats Arnhem te vinden is. Bovendien heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard te weten op welk incident de verdenking betrekking heeft. Hiermee is ook het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Het genoegzaamheidsverweer wordt verworpen.

5.Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Gelijkstelling
6.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. De opgeëiste persoon verblijft sinds november 2018 rechtmatig in Nederland. De raadsman heeft ter onderbouwing stukken overgelegd, waaronder jaaropgaven, een huurovereenkomst, salarisspecificaties en verklaringen van geregistreerd inkomen.
6.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De opgeëiste persoon heeft in de periode van 2021 tot 2023 te weinig inkomen gegenereerd. Daarbij staat hij pas sinds 2024 ingeschreven in Nederland en heeft hij ter zitting verklaard gedurende meerdere periodes in het buitenland te hebben verbleven. Deze periodes zijn samen meer dan twee jaar. Uit de Vreemdelingenwet volgt dat het verblijfsrecht na twee jaar beëindigd kan worden. Aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt niet voldaan. De overlevering kan worden toegestaan.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling, omdat met de overgelegde stukken niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
De opgeëiste persoon heeft in Nederland ingeschreven gestaan van april tot juli 2020 en heeft zich vervolgens in Polen ingeschreven. Pas sinds november 2024 staat hij weer in Nederland ingeschreven. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard in 2022 en 2023 in het buitenland te hebben verbleven. Verder beschikt de rechtbank alleen over een huurovereenkomst vanaf 1 maart 2025. De opgeëiste persoon heeft hiermee onvoldoende aangetoond dat hij vijf jaar in Nederland heeft verbleven.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat bovendien niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaar in Nederland voldoende inkomsten heeft gegenereerd. In 2021 en 2023 heeft de opgeëiste persoon minder dan 50% van de bijstandsnorm verdiend en in 2022 heeft hij niet in Nederland gewerkt en hier geen inkomen gehad.
De rechtbank oordeelt dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Het beroep op gelijkstelling slaagt niet. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de toetsing van de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

7.1
Inleiding
Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over deze weigeringsgrond.
7.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW van toepassing is. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ondanks dat het feit geacht wordt in zijn geheel te zijn gepleegd op Nederlands grondgebied, hebben de Poolse autoriteiten rechtsmacht om de opgeëiste persoon te vervolgen voor dit feit, omdat hij de Poolse nationaliteit heeft. Bovendien heeft het slachtoffer, die ook de Poolse nationaliteit heeft, in Polen aangifte gedaan en is het onderzoek aangevangen in Polen. Het Nederlandse openbaar ministerie is niet voornemens om over te gaan tot vervolging.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat, in het licht van de hierboven weergegeven door de officier van justitie naar voren gebrachte argumenten, het gegeven dat het feit wordt geacht geheel in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen.

8.Artikel 11 OLW

8.1
Poolse rechtsstaat en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
8.2
Detentieomstandigheden in het Poolseremand regime
8.2.1
Inleiding
Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde remand regime.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar tussenuitspraken in soortgelijke zaken van 5 juni 2024 [7] en 6 juni 2024 [8] .
De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
De
Circuit Court in Sosnowiecheeft op 13 november 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) upon a possible surrender as a result of the execution of the EAW, the sought person will, with a high degree of probability, be held in the Remand Centre [Areszt Sledczy] in Myslowice. (...)”
Op 26 november 2025 heeft de
director of the Remand Centre in Mysłowicede volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(...) I hereby inform you that the individual concerned will be provided with at least 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-person residential cell at the Mysłowice Remand Center. (…) At the Mysłowice Remand Center, pretrial detainees are allowed to take at least an hour's walk. (…) it is impossible to clearly determine how many hours per day, at least temporarily detained, would be spent outside their residential cell, even if the inmate were to choose to participate in all activities offered in the penitentiary.”
8.2.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman voert aan dat het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar van schending van grondrechten in het
remand regimein Polen voor de opgeëiste persoon niet wordt weggenomen door de verstrekte informatie. In de reactie van de Poolse autoriteiten van 13 november 2025 wordt vermeld dat er niet kan worden gegarandeerd waar de opgeëiste persoon zal worden geplaatst en dat de Poolse wetgeving alleen drie m2 per gedetineerde garandeert. De Poolse autoriteiten hebben vervolgens in de aanvullende informatie van 26 november 2025 aangegeven dat vier m2 persoonlijke ruimte wordt gegarandeerd, maar dat het onmogelijk is om te schatten hoeveel tijd de opgeëiste persoon gemiddeld dagelijks buiten de cel kan doorbrengen. Uit de informatie blijkt dan ook niet dat de opgeëiste persoon minstens twee uur buiten de cel kan doorbrengen. De rechtbank moet daarom geen gevolg geven aan het EAB, aldus de raadsman.
8.2.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de aanvullende informatie voldoende is om het algemene gevaar op schending van grondrechten in detentie in het r
emand regimein Polen voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Omdat de Poolse autoriteiten in de aanvullende informatie van 26 november 2025 vermelden dat de opgeëiste persoon vier m2 persoonlijke ruimte exclusief sanitair tot zijn beschikking zal hebben, is het voor de beoordeling van de rechtbank niet relevant hoeveel uur de opgeëiste persoon buiten de cel kan verblijven. De overlevering kan worden toegestaan.
8.2.4
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is door de Poolse autoriteiten in de hierboven opgenomen aanvullende informatie van 13 en 26 november 2025 gegarandeerd dat de opgeëiste persoon ten minste over vier m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel exclusief sanitaire voorzieningen zal beschikken (en overigens ten minste een uur per dag buiten de cel kan verblijven). Met de bovenstaande informatie is het eerder vastgestelde algemene gevaar in het Poolse
remand regimevoor de opgeëiste persoon weggenomen. Artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

9.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

10.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Sosnowiec, Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 23 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
7.Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
8.Rb. Amsterdam 6 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3365.