ECLI:NL:RBAMS:2025:10108

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
13/130352-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees aanhoudingsbevel en heropening van het onderzoek

Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door Polen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om de officier van justitie te verzoeken om aanvullende documenten op te vragen, waaronder een ingevuld certificaat en een kopie van het vonnis. De zaak betreft een opgeëiste persoon, geboren in Polen, die momenteel gedetineerd is in Nederland. Tijdens de zitting op 2 oktober 2025 was de opgeëiste persoon aanwezig, bijgestaan door zijn raadsman, en werd de termijn voor uitspraak verlengd. De rechtbank heeft op 16 oktober 2025 al een tussenuitspraak gedaan over de grondslag en inhoud van het EAB. De officier van justitie heeft verzocht om de overlevering toe te staan, terwijl de raadsman zich op het standpunt heeft gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De rechtbank heeft in haar oordeel verwezen naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, dat relevant is voor de toepassing van de Overleveringswet. De rechtbank heeft besloten de beslistermijn te verlengen en het onderzoek voor onbepaalde tijd te schorsen, zodat de officier van justitie de benodigde documenten kan opvragen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/130352-23
Datum uitspraak: 16 december 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 28 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 maart 2023 door
the District Court in Koszalin II Criminal Department,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 2 oktober 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.M. van Spanjen, advocaat in
’s-Hertogenbosch, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak
Bij tussenuitspraak van 16 oktober 2025 [3] heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en geschorst in verband met een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 4 september 2025, in de zaak
CJ [4] (hierna: de zaak
CJ) dat van belang is voor de toepassing van artikel 6a OLW.
De rechtbank heeft op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de beslistermijn verlengd met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 9 december 2025
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 9 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.M. van Spanjen, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 16 oktober 2025

Bij tussenuitspraak van 16 oktober 2025 heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW, en de strafbaarheid van het feit. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 16 oktober 2025. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
De officier van justitie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van
the Local Court in Wałczvan 8 november 2013 (met referentie II K 558/13) toe te sturen. Hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 24 oktober 2025 de volgende informatie verstrekt:

The District Court in Koszalin II Criminal Department in response to the letter dated 17 October 2025 regarding the European Arrest Warrant issued against [de opgeëiste persoon] , son of [naam] , born [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] , informs, that after having become familiar with the position obtained from the Local Court in Wałcz, II Criminal Department on 23 October 2025, that in the near future this Court will submit to you a request to take oyer the execution of the sentence of 10 (ten) months of imprisonment imposed by the judgment of the Local Court in Wałcz in case reference number II K 558/13, after collecting the necessary documentation.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd en dat de straf door Nederland moet worden overgenomen. Vervolgens kunnen het certificaat en het vonnis op een later moment nog door de uitvaardigende justitiële autoriteit worden verstrekt.
Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de zaak moet worden aangehouden om het certificaat en vonnis af te wachten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden toegestaan omdat er gelet op het tijdsverloop inmiddels geen sprake meer is van een bijzondere omstandigheid die verlenging van de beslistermijn rechtvaardigt. Subsidiair verzoekt de officier van justitie de rechtbank de behandeling van de zaak aan te houden om het certificaat en vonnis af te wachten.
Oordeel van de rechtbank
In voornoemde zaak
CJheeft het HvJ EU zich op 4 september 2025 uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 30 september 2025 [5] heeft overwogen volgt uit dat arrest – kort samengevat – dat toestemming van de beslissingsstaat vereist is voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het primaire verzoek van de raadsman af, aangezien het verzochte certificaat en vonnis niet zijn verstrekt door de beslissingsstaat.
De rechtbank leidt uit de aanvullende informatie van 24 oktober 2025 af dat de Poolse autoriteiten welwillend staan tegenover de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onderzoek te heropenen om in navolging van het arrest
CJvan het HvJ EU de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van
the Local Court in Wałczvan 8 november 2013 (met referentie II K 558/13) nogmaals op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
De rechtbank is gebonden aan een korte beslistermijn en kan zoals bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW slechts in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens zestig dagen verlengen. Nu de rechtspraak, de verdediging en de officier van justitie zeer recent zijn geconfronteerd met de gevolgen van het arrest
CJen de wetgever artikel 6a OLW op dit punt (nog) niet heeft gewijzigd en gelet op de hiervoor geschetste omstandigheid dat het certificaat en het vonnis nog niet zijn toegestuurd ondanks de kennelijke welwillendheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit, is de rechtbank van oordeel dat nog steeds sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, zodat de rechtbank de beslistermijn met zestig dagen zal verlengen.
Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het bericht van de Poolse autoriteiten niet duidelijk blijkt wat de reden is dat de verzochte documenten nog niet zijn verstrekt, ondanks dat de beslistermijn is verlengd tot 150 dagen. De rechtbank is ambtshalve bekend met andere Poolse overleveringszaken waarin het certificaat binnen de verlengde beslistermijn van 90 dagen is ontvangen. De rechtbank verzoekt de officier van justitie daarom de volgende aanvullende vragen ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
Op 17 oktober 2025 is door het Openbaar Ministerie aan u het verzoek gedaan om – in het licht van het arrest
CJvan het HvJ EU – het ingevulde certificaat als bedoeld in bijlage 1 van het Kaderbesluit 20008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van
the Local Court in Walczvan 8 november 2013 (II K 558/13) toe te sturen:
1. Wat is de reden dat het dit certificaat en het vonnis in deze zaak nog niet zijn toegestuurd? Kunt u toelichten waarom dit toezenden in deze zaak meer tijd in beslag neemt dan in soortgelijke zaken van andere Poolse rechtbanken?
2. Is het verstrekken van de verzochte documenten afhankelijk van bijzondere voorwaarden, of een beoordeling door een rechter of is het enkel een administratieve procedure? Met andere woorden kan het verstrekken van het certificaat nog worden geweigerd?
3. Kunt u het certificaat en het vonnis alsnog onverwijld toezenden? En zo niet, kunt u aangeven op welke datum deze documenten zullen worden verstrekt?

5.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het voornoemde verzoek onder 4 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen;
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met
zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW;
BEPAALTdat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór 15 februari 2026 (einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman en oproeping van een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier.
en uitgesproken ter openbare zitting van 16 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (