ECLI:NL:RBAMS:2025:10100

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
13/254216-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot strafzaak in Polen

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB, uitgevaardigd op 21 maart 2025 door de regionale rechtbank in Radom, betreft de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon, die in Polen is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twee jaar. Tijdens de zitting op 20 november 2025 was de opgeëiste persoon aanwezig, bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, en een tolk. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.

De raadsman voerde aan dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) van toepassing was, omdat de opgeëiste persoon niet op de juiste wijze was opgeroepen. De officier van justitie betwistte dit en stelde dat de opgeëiste persoon op correcte wijze was opgeroepen. De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en dat hij onvoldoende had gedaan om zijn verdedigingsrechten te waarborgen. Daarom werd de overlevering niet geweigerd op basis van artikel 12 OLW.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de eisen van de OLW en dat er geen weigeringsgronden waren die aan de overlevering in de weg stonden. De rechtbank wees het verzoek van de raadsman om aanhouding van de behandeling af en stond de overlevering toe. De uitspraak is openbaar uitgesproken en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/254216-25
Datum uitspraak: 4 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 1 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 maart 2025 door
the Regional Court in Radom, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Radomvan 3 april 2023 (met referentie: II K 227/23).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, zeven maanden en twaalf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 14 oktober 2025 volgt dat de opgeëiste persoon niet op de juiste wijze is opgeroepen, waardoor hij in zijn verdedigingsrechten is geschaad. De raadsman verzoekt de rechtbank de behandeling aan te houden om een verzetgarantie te verkrijgen. Als de behandeling van het EAB wordt aangehouden, verzoekt de raadsman de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te schorsen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan er worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Primair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon op correcte wijze is opgeroepen. De opgeëiste persoon heeft namelijk een adresinstructie ontvangen en heeft daarbij het adres van zijn Poolse advocaat opgegeven als correspondentieadres voor processtukken, waarnaar de oproep voor de zitting vervolgens is verstuurd. Door naar Nederland te vertrekken heeft hij vrijwillig afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten. Subsidiair kan de rechtbank afzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure aangezien er sprake is geweest van een overeenkomst tussen de opgeëiste persoon en de Poolse officier van justitie die daarna door de rechtbank is bekrachtigd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in het vooronderzoek is verhoord. Hij is tijdens het verhoor op 2 februari 2023 met de officier van justitie een straf overeengekomen. Daarnaast volgt uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 14 oktober 2025 dat de opgeëiste persoon in deze zaak op 6 februari 2023 een adresinstructie heeft ontvangen. Daarin is hij geïnformeerd over de verplichting om eventuele adreswijzigingen door te geven en de consequenties van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft destijds het adres van zijn Poolse advocaat opgegeven als correspondentieadres. Uit voornoemde aanvullende informatie blijkt dat de oproeping voor de zitting ook daadwerkelijk naar het desbetreffende adres in Polen is gestuurd. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en zich niet of onvoldoende heeft geïnformeerd over het verdere verloop van die procedure. Het had op zijn weg gelegen te informeren bij zijn advocaat wanneer de zitting plaatsvond. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Overlevering leidt daarom niet tot schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Artikel 12 OLW staat niet aan overlevering in de weg en de rechtbank wijst daarom ook het aanhoudingsverzoek van de raadsman af.
Aangezien de rechtbank niet overgaat tot aanhouding van de behandeling van het EAB komt zij niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijke schorsingsverzoek van de raadsman.

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek in Polen heeft plaatsgevonden, de bewijsmiddelen zich daar bevinden, de verdovende middelen daar zijn ingevoerd, de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen.
De raadsman voert geen verweer.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden het gegeven dat de feiten geacht worden gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen.

6.Artikel 11 OLW; Poolse rechtsstaat

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 7, 12 en 13 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Radom, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).