ECLI:NL:RBAMS:2025:10071

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
13-288454-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees aanhoudingsbevel van de Rechtbank van Palermo, Italië

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door de Rechtbank van Palermo, Italië. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in Nigeria, die wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en witwassen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 26 november 2025 gehoord, waarbij de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, aanwezig was. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Raza, en een tolk in de Engelse taal. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.

De raadsman heeft betoogd dat het EAB niet genoegzaam is, omdat er onduidelijkheden zijn over de identiteit van de opgeëiste persoon en de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen. De officier van justitie daarentegen heeft gesteld dat het EAB voldoende informatie bevat en dat de beschrijvingen van de feiten in onderling verband moeten worden bezien. De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB niet voldoet aan de vereisten van de Overleveringswet, omdat essentiële informatie over tijdstip, plaats en betrokkenheid van de opgeëiste persoon ontbreekt.

De rechtbank heeft besloten het onderzoek te heropenen en de officier van justitie de gelegenheid te geven om nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. Tevens is het verzoek tot schorsing van de gevangenhouding afgewezen, omdat de rechtbank van oordeel is dat er een vluchtgevaar bestaat. De rechtbank heeft bepaald dat de zaak uiterlijk 10 dagen voor 30 december 2025 opnieuw op zitting moet worden gepland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-288454-24
Datum uitspraak: 4 december 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 16 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 juli 2024 door de Rechtbank van Palermo, Italië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres],
gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Raza, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB in samenhang gelezenmet het A-formulier vermeldt een bevel tot toepassing van de voorlopige hechtenismaatregel uitgevaardigd door
the Court of Palermoop 29 april 2024 met referentienummer Proc. nr. 3593/2021 RGNR nr. 4365/2023 r.g. g.i.p.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Italiaans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat het EAB niet genoegzaam is. Zo wordt in het EAB bij de beschrijving van de feiten een andere naam dan die van de opgeëiste persoon genoemd. Ook moet worden gegist naar het doel van de criminele organisatie waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht lid te zijn geweest.
De Engelse vertaling van de aanvullende informatie van 20 november 2025 is op meerdere punten taalkundig onduidelijk. Ook bevat de aanvullende informatie inhoudelijke onduidelijkheden. Zo is de datum met
‘permanently’onbepaald, waardoor de pleegperiode niet duidelijk is, en zijn ten aanzien van
‘head 8’en
‘head 26’de pleegplaatsen onbekend. Op grond van het EAB en de aanvullende informatie kan het specialiteitsbeginsel dan ook niet worden gewaarborgd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Het EAB ziet op vier feiten waaronder één keer deelname aan een criminele organisatie en drie feiten van witwassen, gepleegd vanaf 2020 in verschillende plaatsen en landen, met als rol die van mededader. De officier van justitie heeft er - onder verwijzing naar jurisprudentie – op gewezen dat een ruime pleegperiode is toegestaan, [4] dat een land als pleegplaats voldoende is [5] en dat het ontbreken van twee pleegplaatsen geen ongenoegzaamheid oplevert nu de feiten in onderling verband en samenhang moeten worden bezien. Ook is bij een feit dat op het wereldwijde web plaatsvindt het ontbreken van een pleegplaats eerder toegestaan. [6] Tot slot is het vaste jurisprudentie dat bij een vervolgings-EAB het onderzoek nog gaande is, waarbij de pleegplaats en pleegperiode kunnen worden aangevuld. [7] Ten aanzien van de taalkundige onduidelijkheden in de Engelse vertaling van de aanvullende informatie heeft de officier van justitie opgemerkt dat deze worden weggenomen door een vertaling van de oorspronkelijke, Italiaanse, tekst met Google translate.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Met de raadsman constateert de rechtbank dat in het EAB in de feitsomschrijving een andere naam dan die van de opgeëiste persoon wordt genoemd, zodat onduidelijk is in hoeverre de feitsomschrijving in het EAB van toepassing is op de opgeëiste persoon. Daarnaast vermeldt het EAB geen pleegdatum of pleegperiode en ook geen pleegplaats. Hoewel dat wel geldt voor het A-formulier en de aanvullende informatie, is die informatie op verschillende punten tegenstrijdig, bijvoorbeeld ten aanzien van de daarin genoemde data. Met de raadsman is de rechtbank verder van oordeel dat de aanvullende informatie is voorzien van een vertaling in de Engelse taal die op punten onbegrijpelijk is. Met name de feiten 2 tot en met 4 zijn naar het oordeel van de rechtbank in de huidige vertaling niet genoegzaam omschreven. Deze feiten worden gekwalificeerd als witwassen, maar zijn omschreven als:
“Head 8) Selled in an unknown place in November 16, 2020Head 25) Selled in Palermo, between December 21-24, 2020Head 26) selled in an unknown place on October 16, 2021”
Hoewel de officier van justitie op zitting heeft gezegd dat uit een eigen vertaling van de Italiaanse tekst (met Google translate) wel duidelijk zou blijken waar de verdenking op ziet, merkt de rechtbank op dat de officiële talen in de overleveringsprocedure Nederlands en Engels zijn. De rechtbank kan daarom niet uitgaan van de aanvullende informatie in de Italiaanse taal, of een eigen, informele, vertaling daarvan.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te verzoeken om een omschrijving van de strafbare feiten te verschaffen met, in ieder geval, informatie over het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten.
Voorwaardelijk schorsingsverzoek
Voor het geval dat de rechtbank aanleiding zou zien om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen, heeft de raadsman verzocht het bevel gevangenhouding te schorsen.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen schorsing van het bevel gevangenhouding.
De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van het bevel gevangenhouding af. Het wettelijk systeem van de OLW is zo ingericht dat de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon dient ter voorkoming van vluchtgevaar. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de opgeëiste persoon onvoldoende binding met Nederland heeft om dit vluchtgevaar met schorsingsvoorwaarden te ondervangen.

4.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1 genoemde vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
BEPAALTdat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland
uiterlijk 10 dagen voor 30 december 2025, zijnde het einde van de verlengde beslistermijn;
BEVEELTde
oproeping van de opgeëiste persoontegen een nader te bepalen datum en
tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn
raadsman;
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Engelse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
7.HvJ EU 1 december 2008, C-388/08 PPU, ECLI:EU:C:2008:669 (Leymann en Pustovarov).