ECLI:NL:RBAMS:2024:899

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 februari 2024
Publicatiedatum
20 februari 2024
Zaaknummer
13/323246-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 350 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLW
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Polen ondanks niet-verschijnen bij proces

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een Poolse opgeëiste persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Tarnobrzeg. De opgeëiste persoon werd verdacht van mishandeling en vernieling, waarvoor een vrijheidsstraf van één jaar is opgelegd die nog moet worden uitgezeten.

De opgeëiste persoon was niet verschenen bij het Poolse proces, wat een mogelijke weigeringsgrond vormt volgens artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW). De rechtbank oordeelde echter dat de oproeping correct was gedaan en dat de opgeëiste persoon onvoldoende bewijs leverde voor het niet ontvangen van de oproeping. Op grond van het vertrouwensbeginsel ging de rechtbank uit van de juistheid van de Poolse informatie.

Hoewel er sprake is van structurele gebreken in de Poolse rechtsorde die het recht op een eerlijk proces kunnen bedreigen, heeft de opgeëiste persoon geen concrete aanwijzingen gegeven dat deze gebreken zijn zaak individueel hebben beïnvloed. De rechtbank concludeerde dat er geen individueel reëel gevaar bestaat voor schending van het recht op een eerlijk proces.

De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.

De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters van de rechtbank Amsterdam op 14 februari 2024.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/323246-23
Datum uitspraak: 14 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 7 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2023 door
the Regional Court in Tarnobrzeg(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
gedetineerd in de [P.I.]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 23 januari 2024
De behandeling van het EAB stond gepland op de zitting van 23 januari 2024. Het onderzoek ter zitting is vervolgens aangehouden voor bepaalde tijd om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Zitting 31 januari 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 januari 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.N. de Jager en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Referte

De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
Judgment of the District Court in Tamobrzegvan 6 maart 2020, referentie:
II K 762/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf moet volgens het EAB nog geheel worden uitgezeten.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

5.De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro

In het EAB onder D. staat vermeld dat de opgeëiste persoon niet bij het proces is verschenen dat heeft geleid tot het vonnis. Voorts staat onder D.1 onder a. vermeld dat de opgeëiste persoon op 16 december 2019 in persoon is opgeroepen voor de zitting die tot het vonnis heeft geleid en dat hij daarbij op de hoogte is gesteld dat indien hij niet ter zitting zou verschijnen er wel een vonnis zou kunnen worden gewezen.
De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij ten tijde van de oproeping in Duitsland verbleef en hierdoor de oproeping nooit heeft ontvangen, maar hij heeft hier geen bewijsstukken van overgelegd. De rechtbank gaat op grond van het vertrouwensbeginsel uit van de juistheid van de door de Poolse autoriteiten overgelegde informatie. In de enkele niet nader onderbouwde stelling van de opgeëiste persoon ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken.
De rechtbank is dan ook op grond van het voorgaande van oordeel dat de situatie als bedoeld in artikel 12 onder Pro a OLW zich voordoet.

6.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel
7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
mishandeling
en
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

7.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 300 en 350 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van de opgeëiste persoon
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Tarnobrzeg(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. P. Sloot en A.Pahladsingh , rechters,
in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (