ECLI:NL:RBAMS:2024:8488

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 december 2024
Publicatiedatum
21 januari 2025
Zaaknummer
13/006358-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid officier van justitie in vordering tot in behandeling neming Europees aanhoudingsbevel wegens ontbreken wijziging omstandigheden detentie Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor een opgeëiste persoon geboren in 1976. Gedurende de procedure werd de termijn voor uitspraak meerdere malen verlengd vanwege onderzoek naar de detentieomstandigheden in Poolse voorlopige hechtenis.

Na diverse tussenuitspraken en raadkamerzittingen constateerde de rechtbank een individueel gevaar voor schending van grondrechten bij overlevering. Daarom werd de beslissing aangehouden en het onderzoek geschorst met een redelijke termijn van dertig dagen om te beoordelen of er een wijziging in de omstandigheden was opgetreden.

De aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten bood geen concrete aanwijzingen voor een wijziging. Zowel de raadsman als de officier van justitie stelden dat het reële gevaar van onmenselijke behandeling niet kon worden uitgesloten. De rechtbank concludeerde dat de redelijke termijn was verstreken zonder wijziging van omstandigheden en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering, waarmee de overleveringsprocedure werd beëindigd.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot in behandeling neming van het Europees aanhoudingsbevel wegens het ontbreken van een wijziging in de detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/006358-24
Datum uitspraak: 28 november 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 1 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 september 2019 door
the Regional Court in Szczecin, Polen
(hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1976,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesverloop

Zitting 18 april 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 april 2024, in
aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen
en is bijgestaan door haar raadsman, mr. T. Polat, advocaat in Breda, en door een tolk in de
Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tussenuitspraak 2 mei 2024
Bij tussenuitspraak van 2 mei 2024 [3] heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende
justitiële autoriteit aanvullende vragen te stellen over de detentieomstandigheden voor voorlopig
gedetineerden in Polen.
Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid (oud), OLW opnieuw met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding.
Zitting 6 juni 2024
De behandeling van het EAB is – met instemming van de raadsman en de officier van justitie in gewijzigde samenstelling – hervat op de zitting van 6 juni 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan
door haar raadsman en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft in het kader van het onderzoek naar de detentieomstandigheden in
remand prisonsin Polen de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen over de verzochte
overlevering op grond van artikel 22, vijfde lid (oud), OLW, nogmaals met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding.
Tussenuitspraak 20 juni 2024
Bij tussenuitspraak van 20 juni 2024 [4] heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst
voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende
justitiële autoriteit aanvullende vragen te stellen over de detentieomstandigheden voor voorlopig
gedetineerden in Polen.
Raadkamers 16 augustus 2024 en 18 september 2024
De rechtbank heeft in het kader van het onderzoek naar de detentieomstandigheden in
remand prisonsin Polen de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen over de verzochte
overlevering op de beide raadkamerzittingen telkens op grond van artikel 22, vijfde lid (oud), OLW, met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding.
Zitting 16 oktober 2024
De behandeling van het EAB is – met instemming van de raadsman en de officier van justitie in gewijzigde samenstelling – hervat op de zitting van 16 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door
haar raadsman en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft in het kader van het onderzoek naar de detentieomstandigheden in
remand prisonsin Polen de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen over de verzochte
overlevering op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, wederom met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding.
Tussenuitspraak 30 oktober 2024
Bij tussenuitspraak van 30 oktober 2024 [5] is opnieuw het algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden in
remand prisonsin Polen aan de orde gekomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van haar grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Gelet op de mogelijkheid dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, en het onderzoek heropend en geschorst. Ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, heeft de rechtbank een redelijke termijn van dertig dagen gesteld om op de volgende zitting te onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden is opgetreden.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met zestig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding.
Zitting 28 november 2024
De behandeling van het EAB is – met instemming van de raadsman en de officier van justitie in gewijzigde samenstelling – voortgezet op de zitting van 28 november 2024, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft op de zitting van 28 november 2024 direct mondeling uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 2 mei 2024

Bij tussenuitspraak van 2 mei 2024 heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en
inhoud van het EAB (onder 3.), de strafbaarheid van de feiten (onder 4.), over het gelijkstellingsverweer (onder 5.) en over artikel 11 OLW Pro in combinatie met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU (onder 6.). Die overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Poolse detentieomstandigheden

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen over de detentieomstandigheden in de tussenuitspraken van 2 mei 2024, 20 juni 2024 en 30 oktober 2024. Deze overwegingen dienen hier eveneens als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Zoals uit het voorgaande (Procesverloop) volgt, heeft de rechtbank in de tussenuitspraak van 30 oktober 2024 vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van haar grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Omdat er een mogelijkheid bestond dat bij wijziging van de omstandigheden het reële individuele gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank een redelijke termijn van dertig dagen bepaald. De rechtbank zal nu beoordelen of sprake is van een dergelijke wijziging van omstandigheden.
Na de tussenuitspraak van 30 oktober 2024 is aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten aan het dossier toegevoegd. Op nadere vragen van het IRC over het aantal uren dat de opgeëiste persoon ten minste buiten haar cel kan doorbrengen en hoeveel vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel zij zal krijgen, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 25 november 2024 als volgt geantwoord:
"(…) the Court of this place is unable to respond more concretely to the questions asked, to which however in the assessment of the Court the letters sent respond as precisely as possible and therefore the Court of this place again requests that the information sent earlier be taken into account (...) in respect of the surrender of [opgeëiste persoon] .”
Standpunten van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat voormeld antwoord geen wijziging van de omstandigheden inhoudt, zodat het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling niet alsnog kan worden uitgesloten. Daarom kan geen gevolg worden gegeven aan het EAB en moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is verstreken zonder dat er informatie is ontvangen die een wijziging van omstandigheden inhoudt. De uitvaardigende justitiële autoriteit verwijst in de aanvullende informatie van 25 november 2024 naar de eerder gegeven informatie die reeds als onvoldoende was beoordeeld om het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon uit te sluiten.
De rechtbank zal daarom op grond van artikel 11, eerste lid, OLW in samenhang met artikel 28, derde lid, OLW, geen gevolg geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, waarmee de overleveringsprocedure wordt beëindigd.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.

8.Beslissing

De rechtbank
GEEFT GEEN GEVOLGaan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie
NIET-ONTVANKELIJKin de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde overleveringsdetentie. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. A.A.B. Fransen en D.F.A. Reuvekamp, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.