De rechtbank Amsterdam heeft op 26 januari 2024 uitspraak gedaan in een zaak tegen veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor meerdere strafbare feiten waaronder handel in verdovende middelen en witwassen. De zaak betrof de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van een betalingsverplichting aan de Staat.
De berekening van het wederrechtelijk voordeel bestond uit twee onderdelen: een eenvoudige kasopstelling over de periode 1 januari 2018 tot en met 3 november 2020 en een feitberekening over de periode 22 maart 2020 tot en met 13 juni 2020. De verdediging stelde een lager bedrag voor, waarbij zij een deel van de periode buiten beschouwing wilde laten en aftrekposten opgaf, zoals een relatie die contant geld verstrekte en kosten voor een cryptotelefoon. De officier van justitie ging deels mee in deze aanpassingen, maar wilde de waarde van de voertuigen, waaronder een Mercedes Benz, wel meenemen in de berekening.
De rechtbank oordeelde dat de aanschaf van de Mercedes Benz binnen de onderzoeksperiode viel en dat de auto niet door derden was betaald. Daarom werd de aanschafprijs meegenomen in de berekening. De kosten van de cryptotelefoon werden in mindering gebracht omdat aannemelijk was dat de telefoon voor de drugshandel was aangeschaft. De totale vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel kwam uit op €79.270,73.
De rechtbank wees af om de waarde van de verbeurdverklaarde Mercedes Benz in mindering te brengen op de betalingsverplichting, omdat de verbeurdverklaring nog niet onherroepelijk was. De betalingsverplichting werd opgelegd aan veroordeelde voor het volledige bedrag. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1.080 dagen voor het geval van niet-betaling.