ECLI:NL:RBAMS:2024:6844

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
8 november 2024
Zaaknummer
13/141377-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLW
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Amsterdam verklaart officier van justitie niet-ontvankelijk bij Europees aanhoudingsbevel wegens ongewijzigde detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor de overlevering van een opgeëiste persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Tijdens meerdere zittingen en tussenuitspraak werd het onderzoek geschorst vanwege zorgen over de detentieomstandigheden in Polen.

De rechtbank verlengde de beslistermijnen meerdere malen en gaf de officier van justitie de gelegenheid om aanvullende informatie te verkrijgen over de detentieomstandigheden. Ondanks toezeggingen van de Poolse autoriteiten werd geen wijziging in de omstandigheden gemeld die het reële gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling kon uitsluiten.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat de redelijke termijn voor het ontvangen van relevante informatie was verstreken zonder dat er nieuwe feiten waren. Daarom werd geen gevolg gegeven aan het EAB en werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, waarmee de overleveringsprocedure werd beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk en geeft geen gevolg aan het Europees aanhoudingsbevel wegens ongewijzigde detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/141377-24
Datum uitspraak: 5 november 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 26 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juli 2023 door
the Regional Court in Lódz, Polen (hierna: de
uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van::
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 19 juni 2024
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 19 juni 2024 in aanwezigheid
van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Pershad, advocaat te Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 3 juli 2024 [3]
Het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de
gelegenheid te stellen de door de rechtbank met betrekking tot de Poolse detentie-
omstandigheden geformuleerde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Ook is de beslistermijn verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW. onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Raadkamer 14 augustus 2024
In raadkamer is de beslistermijn nogmaals verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid. OLW, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 12 september 2024
De behandeling van het EAB is met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling
hervat op de zitting van 12 september 2024 in aanwezigheid van mr. A. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de beslistermijn nogmaals verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22,
vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Tussenuitspraak 26 september 2024 [4]
De rechtbank heeft een tussenuitspraak gewezen en daarin vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Het onderzoek is vervolgens voor de laatste keer heropend en geschorst op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, omdat er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog – en binnen afzienbare tijd – kan worden uitgesloten.
De rechtbank heeft de beslistermijn nogmaals verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22,
zesde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 22 oktober 2024
De behandeling van het EAB is met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling
hervat op de zitting van 22 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft op 28 oktober 2024 de overleveringsdetentie opgeheven.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak 3 juli 2024

De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 3 juli 2024. Hierin heeft de rechtbank, voor zover thans nog van belang, de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de Poolse rechtsstaatproblematiek al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de laatste tussenuitspraak en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Mocht de rechtbank toch besluiten de zaak nogmaals aan te houden dan voor een korte tijd en niet voor 60 dagen.
De officier van justitie heeft gewezen op het bericht van de Poolse officier van justitie dat er voor 15 november 2024 antwoord op de vragen zal worden gegeven en heeft verzocht de zaak nog eenmaal aan te houden. Echter, gelet op hetgeen in de tussenuitspraak staat over het verlengen van de redelijke termijn refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen ten aanzien van de detentieomstandigheden in de tussenuitspraak van 3 juli 2024 en 26 september 2024. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
In de tussenuitspraak van 26 september 2024 is besloten deze zaak nog één laatste keer aan te houden, omdat er een mogelijkheid bestond dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog – en binnen afzienbare tijd –
kon worden uitgesloten. Die redelijke termijn is bepaald op 30 dagen. Ook is in deze tussenuitspraak uitgelegd waarom de zaak nog maar één laatste keer werd aangehouden. Verder is toen geoordeeld dat als er niet binnen die laatste termijn informatie zou worden ontvangen waaruit een wijziging van omstandigheden blijkt, er geen gevolg zou worden gegeven aan het EAB.
Deze termijn is nu verstreken zonder dat er informatie is ontvangen die een wijziging van omstandigheden inhoudt. Het bericht van de Poolse officier van justitie, dat er voor 15 november 2024 antwoord op vragen zal worden gegeven, is immers niet als zodanige informatie aan te merken.
Nu geen wijzigingen in de omstandigheden zijn opgetreden en de gestelde redelijke termijn inmiddels is verstreken, zal de rechtbank ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW in samenhang met artikel 28, derde lid OLW geen gevolg geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren, waarmee de overleveringsprocedure wordt beëindigd.

5.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.

6.Beslissing

De rechtbank
GEEFT GEEN GEVOLGaan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie
NIET-ONTVANKELIJKin de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. J.B. Oreel en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.