ECLI:NL:RBAMS:2024:5112

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 augustus 2024
Publicatiedatum
15 augustus 2024
Zaaknummer
13/193709-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 350 SrArt. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 175 Wegenverkeerswet 1994Art. 2 OLW
Verwijzingen
19 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan van overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel naar Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 31 juli 2024 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit. De opgeëiste persoon, geboren in 1992 en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van meerdere strafbare feiten waarvoor in Polen een vrijheidsstraf van één jaar en drie maanden is opgelegd, waarvan nog ruim een jaar resteert.

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en onderzocht of de overlevering aan de vereisten van de Overleveringswet voldoet. Daarbij is onder meer getoetst of sprake is van een weigeringsgrond zoals artikel 12 OLW Pro, dat ziet op de afwezigheid van de verdachte tijdens het proces in hoger beroep. De rechtbank concludeerde dat de verdachte tijdig was gedagvaard en op de hoogte was van de procedure, zodat deze grond niet van toepassing is.

Ook is de dubbele strafbaarheid van de feiten beoordeeld, waarbij de rechtbank oordeelde dat de feiten ook onder Nederlands recht strafbaar zijn, waaronder diefstal, overtreding van de Wegenverkeerswet en vernieling. Daarnaast is onderzocht of er een reëel gevaar bestaat voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen. Hoewel er structurele gebreken in de Poolse rechtsorde zijn, is niet gebleken dat deze de individuele zaak van de opgeëiste persoon concreet hebben beïnvloed.

De rechtbank concludeert dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan. Daarom wordt de overlevering toegestaan en is tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe voor de uitvoering van de resterende vrijheidsstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/193709-24
Datum uitspraak: 14 augustus 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 14 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 oktober 2023 door de
Sąd Okręgowy [Regional Court] in Białystok Criminal Division III, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 juli 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M. Timorason, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. S.J. Linck, beiden advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
enforceable judgement in the Sąd Rojonowy [District Court] in Bielsk Podlaski Local Criminal Division VIII in Siemiatycze issued on 12 August 2021, which became valid and final on 29 October 2021(VIII K 87/21). Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 25 juli 2024 blijkt dat bij arrest van 29 oktober 2021 in hoger beroep uitspraak gedaan in deze zaak door
the Regional Court in Bialystok VIII Appeals Division(kenmerk onbekend)
.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en drie maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog één jaar, twee maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis en arrest.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] In de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 25 juli 2024 staat dat de zaak in hoger beroep ten gronde is behandeld en dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich een omstandigheid als in artikel 12, sub a, OLW heeft voorgedaan. Uit de voornoemde aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit volgt dat de opgeëiste persoon tijdig, te weten op 14 oktober 2021, in persoon is gedagvaard en hij zodoende op de hoogte was van de zittingsdatum en- plaats en dat hij daarbij ook is geïnformeerd dat in zijn afwezigheid een beslissing kan worden genomen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.
4. Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De raadsvrouw heeft opgemerkt dat feit 2 mogelijk niet dubbel strafbaar is, maar verbindt hier geen gevolgen aan omdat in dit geval kan worden afgezien van de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 2 ook naar Nederlands recht strafbaar is gesteld, namelijk in artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 dan wel in artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank overweegt als volgt.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan, ook voor wat betreft feit 2.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen;
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 en 350 Wetboek van Strafrecht, 6 en 175 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy [Regional Court] in Białystok Criminal Division III(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 augustus 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (