ECLI:NL:RBAMS:2024:4756

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 juli 2024
Publicatiedatum
1 augustus 2024
Zaaknummer
13/027817-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon op grond van Europees aanhoudingsbevel Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 juli 2024 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank voor de overlevering van een Poolse opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon was aanwezig bij de procedure en werd bijgestaan door een advocaat en een tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn met 30 dagen en beval de voortzetting van de gevangenhouding.

Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke vrijheidsstraf van één jaar, opgelegd in januari 2022, waarvan de uitvoering werd bevolen wegens overtreding van een bijzondere voorwaarde. De rechtbank oordeelde dat de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de procedure in Polen.

De rechtbank stelde vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, voldoet aan het vereiste van dubbele strafbaarheid onder Nederlands recht, namelijk poging tot diefstal met geweld door meerdere personen. Ondanks eerdere vaststellingen over structurele gebreken in de Poolse rechtsorde, concludeerde de rechtbank dat geen concreet individueel gevaar bestond voor schending van het recht op een eerlijk proces in deze zaak.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat overlevering toegestaan moet worden. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is onherroepelijk volgens artikel 29 OLW Pro.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe voor de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke vrijheidsstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/027817-24
Datum uitspraak: 31 juli 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 30 mei 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 september 2023 door
the Regional Court of Torún, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juli 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd [2] en de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Courtin Chełmno (Polen) van 26 januari 2022, referentie: II K 383/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon bij het vonnis van
the District Courtin Chełmno (Polen) van 26 januari 2022, referentie: II K 383/21, is veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van één jaar. Bij beslissing van
the District Courtin Chełmno (Polen) van 18 juli 2022 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen, omdat de opgeëiste persoon een aan die straf verbonden bijzondere voorwaarde heeft overtreden door zich aan het toezicht van zijn reclasseringsambtenaar te onttrekken. Deze beslissing tot tenuitvoerlegging behelst geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [4] Nu de reden van de beslissing tot tenuitvoerlegging niet (mede) is geleden in een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, zal de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro hoeven te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.
Ten aanzien van deze beslissing is in onderdeel d) van het EAB vermeld dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de procedure die tot de beslissing heeft geleid én is tegelijkertijd onderstreept dat hij niet in persoon is verschenen bij de procedure die tot de beslissing heeft geleid. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, wordt deze discrepantie naar het oordeel van de rechtbank weggenomen door de aanvullende informatie van 27 juni 2024 waaruit volgt dat de opgeëiste persoon in de procedure II K 383/21 op de zitting is verschenen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing op deze procedure. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij bij de zitting aanwezig was, is onvoldoende om aan deze informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit te twijfelen.

4.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
poging tot diefstal, door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan van bedreiging met geweld en gevolgd van geweld tegen personen, met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken.

5.De weigeringsgrond van artikel 11 OLW Pro: Poolse rechtsstaat

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court of Torún(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. E. Biҫer en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. I. van Heusden en S. van Gerven, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 juli 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (