ECLI:NL:RBAMS:2024:3686

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 juni 2024
Publicatiedatum
20 juni 2024
Zaaknummer
1312411024
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 11 OLW
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 mei 2024 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de regionale rechtbank van Torun, Polen, waarin overlevering werd verzocht voor de uitvoering van een vrijheidsstraf van acht maanden. De opgeëiste persoon, geboren in 1993 en woonachtig in Nederland, was verschenen met bijstand van een raadsman en tolk.

De verdediging stelde dat overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW), omdat de verdachte niet in persoon was verschenen bij het Poolse proces en geen garantie was verstrekt dat zijn verdedigingsrechten waren gewaarborgd. De officier van justitie betoogde dat de verdachte tijdens het vooronderzoek wel degelijk geïnformeerd was over zijn rechten en plichten, schuld had bekend en een adres had opgegeven waar hij bereikbaar was.

De rechtbank concludeerde dat hoewel het EAB strekte tot tenuitvoerlegging van een vonnis zonder dat de verdachte in persoon was verschenen, de verdachte voldoende geïnformeerd was en schuld had bekend. De verdachte was kennelijk onzorgvuldig geweest in zijn bereikbaarheid, maar dit leidde niet tot een schending van zijn verdedigingsrechten. Daarnaast was voldaan aan de vereisten van dubbele strafbaarheid en was geen concreet gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces vastgesteld.

Daarom stond de rechtbank de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering toe ondanks de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.124110.24
Datum uitspraak: 13 juni 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 12 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juni 2023 door
the Regional Court of Torun, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993,
verblijfadres: [verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 mei 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogenwind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
sentence of the District Court in Golub Dobrzyńvan 21 maart 2022, met referentienummer II K 2/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB dient de gehele straf nog te worden uitgezeten. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd dient te worden op grond van artikel 12 OLW Pro. Er is geen verzetgarantie verstrekt, en aangezien de informatie in het EAB onvoldoende duidelijkheid biedt of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen, kan de opgeëiste persoon niet overgeleverd worden. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de opgeëiste persoon zich in Nederland heeft ingeschreven en alhier belasting heeft betaald. Als hij, wetende van het proces in Polen, naar Nederland was gekomen om hier onder de radar te blijven, had hij zich niet ingeschreven.
Standpunt van de officier van justitie
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is van toepassing in onderhavige zaak omdat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de procedure die tot het vonnis heeft geleid. De opgeëiste persoon is tijdens het vooronderzoek echter wel degelijk geïnstrueerd over zijn rechten en plichten als verdachte in een strafzaak, waarna hij een adres in Polen heeft opgegeven. De opgeëiste persoon heeft ook schuld bekend. Het is vervolgens aan de opgeëiste persoon om ervoor te zorgen dat hij bereikbaar is voor de Poolse autoriteiten. Daarom kan worden afgezien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort samengevat - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek een adresinstructie heeft ontvangen en daarbij is gewezen op de consequenties van het niet naleven van deze instructie. De opgeëiste persoon heeft tijdens het vooronderzoek een adres opgegeven waarop hij bereikbaar zou zijn voor officiële correspondentie en hij heeft schuld bekend. Uit het EAB blijkt ook dat de opgeëiste persoon op het door hem opgegeven adres is opgeroepen voor de zitting.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor de officiële correspondentie, en dat hij zich - terwijl hij op de hoogte was van de verdenking en de strafrechtelijke procedure - onvoldoende heeft geïnformeerd over het (verdere) verloop ervan. Overlevering leidt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet tot schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als en feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 179 Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5, 7 en 12 Overleveringswet.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court of Torun(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. C.M. Delstra en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van A. Gabriëlse en L.E. Poel, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).