ECLI:NL:RBAMS:2024:3588

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 juni 2024
Publicatiedatum
14 juni 2024
Zaaknummer
13-057214-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor diefstal in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 mei 2024 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor een opgeëiste persoon geboren in 1988. Het EAB betreft de uitvoering van een vrijheidsstraf van acht maanden wegens diefstal, die volledig moet worden uitgezeten in Polen.

De verdediging voerde aan dat overlevering moest worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro, omdat de opgeëiste persoon niet persoonlijk was verschenen bij het Poolse proces. De officier van justitie stelde echter dat de persoon wel degelijk persoonlijk was gedagvaard. De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon op 2 juli 2021 in persoon was gedagvaard en op de hoogte was gesteld van het proces en de consequenties van niet verschijnen.

De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is. Tevens is voldaan aan de vereisten van dubbele strafbaarheid voor het feit van diefstal. Hoewel er structurele zorgen zijn over de Poolse rechtsorde, is niet gebleken dat deze een concreet risico op schending van het recht op een eerlijk proces voor deze zaak vormen.

Daarom staat de rechtbank de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe voor de uitvoering van een vrijheidsstraf wegens diefstal.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-057214-23 (EAB II)
Datum uitspraak: 13 juni 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 3 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 januari 2023 door
the District Court in Wrocław, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 mei 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. Y. Nieboer, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
final and binding judgementvan 28 oktober 2021, met kenmerk II K 298/21. Hoewel in het vertaalde EAB
the Regional Court for Wrocław-Śródmieściewordt vermeld als het gerecht dat het vonnis heeft gewezen blijkt uit het A-formulier, de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 6 mei 2024 en het Poolse EAB dat het gaat om een vonnis van
the District Court for Wrocław-Śródmieście, en daar gaat de rechtbank dan ook vanuit.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB dient de gehele straf nog te worden uitgezeten. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat geen van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden zich voordoen. Het door de opgeëiste persoon opgegeven adres was het adres van zijn moeder, maar hij had geen contact meer met haar. De naar dat adres verzonden officiële correspondentie heeft hem dan ook niet bereikt.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon weliswaar niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, maar dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW aangezien de opgeëiste persoon blijkens het EAB in persoon is gedagvaard.
Oordeel van de rechtbank
Uit het Poolse EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 2 juli 2021 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en tijd van het proces dat tot de beslissing heeft geleid en is geïnformeerd dat bij niet verschijnen een beslissing bij verstek zou worden uitgesproken. In de aanvullende informatie die door de Poolse autoriteiten is verstrekt op 6 mei 2024 wordt bevestigd dat de opgeëiste persoon de oproep in persoon in ontvangst heeft genomen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is derhalve niet van toepassing.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court of Wrocław, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. C.M. Delstra en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).