ECLI:NL:RBAMS:2024:2613
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling hoogte IVA-uitkering wegens nabetaling loon ongegrond verklaard
Eiser was werkzaam als fietshersteller en werd op 9 november 2019 ziek gemeld. Na een wachttijd van 104 weken kende het UWV hem een IVA-uitkering toe, gebaseerd op een dagloon van €82,20, berekend over het refertejaar 1 november 2018 tot en met 31 oktober 2019.
Eiser ontving in september 2021 een nabetaling van bruto loon en vakantiegeld van zijn ex-werkgever. Hij stelde dat deze nabetaling meegeteld moest worden bij de vaststelling van zijn dagloon en daarmee de hoogte van zijn IVA-uitkering. Het UWV nam de nabetaling niet mee omdat deze na het refertejaar was gedaan en eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij de betaling binnen het refertejaar had gevorderd.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de nabetaling buiten beschouwing heeft gelaten. Eiser had pas in 2021 aanmaningen gestuurd en niet binnen het refertejaar. De wettelijke regeling (artikel 15 Dagloonbesluit Pro) stelt dat alleen loon dat in het refertejaar vorderbaar was, maar niet inbaar, kan worden meegenomen. Omdat eiser niet tijdig had gevorderd, was de nabetaling niet relevant voor het dagloon.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, de hoogte van de IVA-uitkering bleef ongewijzigd op €1.340,89 bruto per maand. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de hoogte van de IVA-uitkering wordt ongegrond verklaard en de uitkering blijft €1.340,89 bruto per maand.