ECLI:NL:CRVB:2020:1998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over dagloonberekening en niet-inbaar loon in WIA-uitkering
Appellant was van maart 2011 tot maart 2012 in dienst bij een werkgever en ontving na beëindiging van het dienstverband een vergoeding van €3.420,20 bruto. Het UWV stelde het dagloon vast op €123,82 en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Appellant verzocht later om herziening van het dagloon op grond van de stelling dat de vergoeding betrekking had op overwerkloon dat hij tijdens het dienstverband had gevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet had aangetoond dat hij de werkgever binnen de referteperiode op niet mis te verstane wijze had gemaand tot betaling van het loon. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze overwegingen en voegt toe dat de enige e-mail van appellant dateert van na de referteperiode, waardoor geen sprake is van niet-inbaar loon.
Het hoger beroep van appellant faalt omdat hij niet met nieuwe feiten of omstandigheden komt die de eerdere beslissing kunnen wijzigen. De vaststellingsovereenkomst en de nabetaling na de referteperiode zijn niet relevant voor de dagloonberekening. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.