ECLI:NL:RBAMS:2024:2120

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 maart 2024
Publicatiedatum
14 april 2024
Zaaknummer
C/13/748395 / HA RK 24-101
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen bestuursrechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. A.M. van der Linden-Kaajan, bestuursrechter te Amsterdam, in het kader van een lopende bestuursrechtelijke beroepszaak. Verzoeker stelde dat de rechter niet objectief was en alleen naar de gemeente luisterde, en klaagde over het niet samenvoegen van meerdere zaken en het heffen van griffierecht in elke zaak.

De wrakingskamer overwoog dat op grond van artikel 8:15 Awb Pro een rechter slechts gewraakt kan worden bij feiten of omstandigheden die de rechterlijke onpartijdigheid aantasten. Daarbij geldt een vermoeden van onpartijdigheid, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Tevens is een rechterlijke beslissing, zoals het niet samenvoegen van zaken, geen grond voor wraking.

De Hoge Raad heeft bepaald dat motivering van een rechterlijke beslissing niet als grond voor wraking kan dienen, tenzij deze motivering objectief als blijk van vooringenomenheid kan worden gezien. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was en wees het af. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de bestuursrechter is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 25 maart 2024 ter zitting gedane en onder rekestnummer C/13/748395 / HA RK 24/101 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.M. van der Linden-Kaajan, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
- de zittingsaantekeningen van de zitting van de enkelvoudige kamer op 25 maart 2024 met daarin opgenomen het verzoek tot wraking.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.De feiten en het verzoek

2.1.
Bij de rechtbank is een beroepszaak van verzoeker in behandeling (zaaknummer AMS 23/5872).

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. Daarnaast geldt dat ook de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid grond kan zijn voor wraking.
3.3.
In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat
het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
3.4.
Blijkens het proces-verbaal heeft verzoeker onder meer aangevoerd:
“Ik wil een wrakingsverzoek indienen. Ik vroeg om samenvoeging van meerdere zaken en om vrijstelling van het griffierecht, maar daar is niets mee gebeurd. Ik ben niet in hoger beroep gegaan van uw vorige uitspraak, maar u was daarin niet objectief. U luisterde alleen maar naar de gemeente. Mevrouw [naam] van de gemeente was niet bevoegd om het besluit te nemen. Bij de rechtbank Haarlem en Centrale Raad hoef ik geen griffierecht te betalen. Het schijnt dat Amsterdam daar maling aan heeft, want hier moet ik wel griffierecht betalen. Ik heb in de vorige zaak stukken overgelegd en gezegd dat ik er bezwaar tegen had dat mijn privégegevens worden doorgezonden. Ik heb zes zaken en ik moet in elke zaak griffierecht betalen. Ik wil in alle zaken één uitspraak. Bij andere rechters krijg ik wel vrijstelling griffierecht”.
3.5.
Een rechterlijke beslissing, zoals een beslissing om zaken niet gevoegd te behandelen, waardoor maar meermaals griffierecht wordt geheven, is geen grond tot wraking, zoals volgt uit het hierboven genoemde arrest. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
 wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en A.W.J. Ros, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.