De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 oktober 2023 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Aschaffenburg, Duitsland, voor de overlevering van een Duitse verdachte verdacht van meerdere strafbare feiten waaronder oplichting en diefstal.
De rechtbank stelde de identiteit en nationaliteit van de verdachte vast en beoordeelde de strafbaarheid van de feiten volgens Nederlands recht. De Duitse autoriteiten kwalificeerden de feiten als lijstfeiten op grond van de Overleveringswet, met name oplichting. De verdediging voerde aan dat sprake was van gekwalificeerde diefstal, maar de rechtbank oordeelde dat de kwalificatie van oplichting door de Duitse autoriteiten redelijk was en dat voor die feiten geen dubbele strafbaarheid meer hoefde te worden getoetst.
Voor enkele feiten waarbij de kwalificatie niet direct als oplichting kon worden aangemerkt, stelde de rechtbank vast dat deze ook onder Nederlandse wetgeving strafbaar zijn als diefstal, waarbij de strafdreiging voldoet aan de vereisten van de Overleveringswet. De verdachte ontkende schuld, maar dit leidde niet tot weigering van overlevering omdat het bewijs niet ter zitting werd geleverd.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering aan Duitsland toegestaan wordt. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is onherroepelijk.