ECLI:NL:RBAMS:2023:5662

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 augustus 2023
Publicatiedatum
6 september 2023
Zaaknummer
13/028929-23 (voorheen 13/751408-18)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLW
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan Europees aanhoudingsbevel voor overlevering aan Polen wegens deelname criminele organisatie en drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de regionale rechtbank in Konin, Polen. De zaak werd aanvankelijk aangehouden vanwege prejudiciële vragen, maar na beantwoording hiervan en het voldoen aan de oproepformaliteiten, werd de behandeling voortgezet.

De verdachte werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, strafbare feiten volgens de Poolse wetgeving en opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet (OLW). De rechtbank stelde vast dat het EAB aan alle wettelijke vereisten voldoet en dat de feiten voldoende strafbaar zijn in Polen, waardoor onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege kan blijven.

Hoewel er sprake is van structurele zorgen over de Poolse rechtsorde, heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen concreet individueel gevaar bestaat voor schending van het recht op een eerlijk proces voor deze verdachte. Er zijn geen weigeringsgronden van toepassing, en de rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan.

De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open. De rechtbank baseerde zich op vaste jurisprudentie en relevante wetsartikelen uit de OLW.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/028929-23 (voorheen 13/751408-18)
Datum uitspraak: 30 augustus 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 18 mei 2018 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1] Dit EAB is uitgevaardigd op 27 november 2017 door
the Regional Court in Konin(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Een behandeling van het EAB op 10 juli 2018 is voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van de beantwoording van de in zaak C-216/18 PPU gestelde prejudiciële vragen. [2]
Op 22 juni 2023 is het EAB opnieuw op zitting aangebracht en voor bepaalde tijd aangehouden vanwege een gebrek in de betekening van de oproep aan de opgeëiste persoon.
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 16 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is ditmaal op de juiste wijze opgeroepen, maar niet verschenen. Zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer, gaf aan niet gemachtigd te zijn om namens de opgeëiste persoon de verdediging te voeren.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. [3] Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
decision of the District Court in Ostrów Wielkopolskivan 15 maart 2013,
passed in case II Kp 54/13 to apply temporary arrest for 14 days of the date of apprehension.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [4]

4.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten (respectievelijk):
deelneming aan een criminele organisatie
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de geen elementen zijn aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Konin(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 augustus 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.De antwoorden op deze prejudiciële vragen en de antwoorden op nadien door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen vormen vaste jurisprudentie van de rechtbank Amsterdam: zie voor de toepassing daarvan in de onderhavige zaak rechtsoverweging 5.
3.Zie artikel 22 OLW Pro.
4.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (