De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 juni 2023 de vordering van de officier van justitie tot inwilliging van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. Het EAB betrof een verdachte geboren in Polen, zonder vaste verblijfplaats in Nederland, die wordt verdacht van strafbare feiten op het gebied van illegale handel in verdovende middelen.
De verdediging voerde aan dat er geen officieel stuk was waaruit bleek dat de verdachte was gedagvaard voor de feiten zoals omschreven in het EAB, en dat de overlevering daarom geweigerd moest worden. De rechtbank verwierp dit verweer omdat de Overleveringswet niet vereist dat de betrokkene reeds is gedagvaard.
Hoewel de rechtbank erkende dat er structurele en fundamentele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde die het recht op een eerlijk proces kunnen bedreigen, concludeerde zij dat de verdachte geen concrete aanwijzingen had geleverd dat deze gebreken een individueel reëel gevaar vormden voor zijn zaak.
De rechtbank stelde vast dat het EAB aan de wettelijke eisen voldeed en dat geen weigeringsgronden aanwezig waren. Daarom werd de overlevering toegestaan voor de feiten die vallen onder illegale handel in verdovende middelen, waarvoor in Polen een gevangenisstraf van minimaal drie jaar geldt.
De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters op 21 juni 2023 en is niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel.