ECLI:NL:RBAMS:2023:3559

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2023
Publicatiedatum
6 juni 2023
Zaaknummer
13/048153-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 243 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OverleveringswetArt. 5 OverleveringswetArt. 7 OverleveringswetArt. 11 Overleveringswet
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor seksuele delicten

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 mei 2023 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Częstochowa, Polen, voor de overlevering van een verdachte geboren in 1984. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar en acht maanden, waarvan nog ruim één jaar rest.

Tijdens de zitting verscheen de verdachte, bijgestaan door zijn advocaat en een Poolse tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn met 30 dagen. De identiteit van de verdachte werd bevestigd en het EAB werd inhoudelijk getoetst, waarbij ook het hoger beroep in Polen werd meegenomen. De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) van toepassing was, omdat de verdachte in beide instanties was gehoord.

De rechtbank beoordeelde de dubbele strafbaarheid en stelde vast dat het feit, seksueel binnendringen van een bewusteloze persoon, ook onder Nederlands recht strafbaar is. Ondanks de structurele zorgen over het Poolse rechtssysteem en het risico op schending van het recht op een eerlijk proces, was er geen concreet bewijs dat deze gebreken de zaak van de verdachte individueel hadden beïnvloed.

Daarom oordeelde de rechtbank dat het EAB aan alle wettelijke vereisten voldoet en geen beletselen bestaan om over te gaan tot overlevering. De overlevering werd toegestaan zonder mogelijkheid tot gewoon rechtsmiddel, conform artikel 29 OLW Pro.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering toe van de verdachte aan Polen voor een opgelegde vrijheidsstraf wegens seksueel binnendringen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/048153-23
Datum uitspraak: 19 mei 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 22 februari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 februari 2023 door
the Regional Court in Częstochowa, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 mei 2023, in aanwezigheid van mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. C. Willekes, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
final judgement of District Court in Lubliniec from 24th October, 2019, issued in case no. II K 195/18.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog één jaar, zeven maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Het EAB vermeldt onder d. dat de opgeëiste persoon via zijn advocaat hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. Bij arrest van 27 februari 2020 (met kenmerk VII Ka 17/20) heeft
the Regional Court in Częstochowahet vonnis in eerste aanleg in stand gelaten.
Als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. [4]
Uit het EAB blijkt niet eenduidig of de zaak in hoger beroep ook ten gronde is behandeld. Zekerheidshalve toetst de rechtbank daarom zowel het proces in eerste aanleg als in hoger beroep.
Eerste aanleg (II K 195/18)
Ten aanzien van het proces in eerste aanleg stelt de rechtbank vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - zich een omstandigheid als in artikel 12, sub a, OLW heeft voorgedaan. De opgeëiste persoon is namelijk op 2 oktober 2019 in persoon gedagvaard voor de zitting op 10 oktober 2019 die tot het vonnis heeft geleid en hij is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is dus niet van toepassing voor het proces in eerste aanleg.
Hoger beroep (VI Ka 17/20)
Ten aanzien van het hoger beroep vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon samen met zijn advocaat is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing op het proces in hoger beroep.

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
met iemand van wie hij weet dat hij in staat van bewusteloosheid/verminderd bewustzijn/lichamelijke onmacht verkeert, handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 243 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Częstochowa(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 mei 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (