AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugshandel
De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 april 2023 een verzoek tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse autoriteiten wegens betrokkenheid bij illegale handel in verdovende middelen.
De opgeëiste persoon betwistte zijn identiteit en voerde aan niet degene te zijn die door Duitsland wordt gezocht. De rechtbank oordeelde echter dat de identiteit voldoende vaststaat, mede op basis van een fotoherkenning tijdens het verhoor. Daarnaast werd het verweer dat het EAB onvoldoende specifiek zou zijn, verworpen omdat het EAB voldeed aan de vereisten van de Overleveringswet, waaronder een duidelijke beschrijving van het strafbare feit en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon.
De rechtbank wees ook het onschuldverweer af omdat dit niet tijdens het verhoor was aangetoond. De facultatieve weigeringsgrond op grond van artikel 13 OLWPro, die ziet op strafbare feiten deels gepleegd in Nederland, werd niet toegepast omdat het Nederlandse Openbaar Ministerie geen vervolging ambieert en het onderzoek in Duitsland plaatsvindt.
Ten aanzien van de evenredigheid van het EAB stelde de rechtbank dat de Duitse rechter de afweging heeft gemaakt en dat de overlevering niet onevenredig is. De rechtbank concludeerde dat aan alle wettelijke vereisten is voldaan en stond de overlevering toe. Tegen deze beslissing is geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/019439-23
Datum uitspraak: 19 april 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 1 februari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 juni 2022 door het Amtsgericht Rosenheim, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] alias [alias] ,
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] (Marokkko),
zonder vaste woon- en verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [P.I.]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 april 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M. Ketting, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Arabische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij [alias] is en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.
De raadsvrouw stelt dat de opgeëiste persoon niet degene is die door Duitsland wordt gezocht. Uit het EAB blijkt dat de Duitse autoriteiten op zoek zijn naar [opgeëiste persoon] , geboren in [plaats] . De personalia van de opgeëiste persoon zijn echter: [alias] , geboren in [geboorteplaats] . De officier van justitie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
De officier van justitie vindt dat zij ontvankelijk is in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, nu er geen twijfel bestaat omtrent de identiteit van de opgeëiste persoon.
De rechtbank overweegt dat bij het verhoor door de officier van justitie op 1 februari 2023 aan de opgeëiste persoon een foto van de Duitse autoriteiten is getoond van de persoon die door Duitsland wordt gezocht. De opgeëiste persoon heeft daarop verklaard dat hij de persoon op de foto is. Gelet op die verklaring is de rechtbank van oordeel dat er geen twijfel over bestaat dat het EAB ten behoeve van de opgeëiste persoon is uitgevaardigd. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel ten behoeve van voorlopige hechtenis van het Amtsgericht Rosenheimvan 7 juni 2022 met kenmerk: II Gs 1267/22.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
De raadsvrouw vindt dat het EAB niet genoegzaam is, omdat uit de omschrijving niet kan worden afgeleid in welke mate de opgeëiste persoon betrokken was bij invoer of handel van verdovende middelen in Duitsland. Verder blijkt onvoldoende waarom hij wordt aangemerkt als medepleger of medeplichtige van invoer of handel van drugs en niet wordt verdacht van voorbereidingshandelingen.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat aan deze vereisten is voldaan. Het EAB bevat een beschrijving van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, zoals de pleegdatum en pleegplaats. Ook blijkt de betrokkenheid van de opgeëiste persoon uit die beschrijving. De vraag of hij als medepleger of als medeplichtige kan worden aangemerkt, is een kwalificatievraag. Het uiteindelijke oordeel daarover is aan de Duitse autoriteiten. Het verweer wordt verworpen.
4.Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.Onschuldverweer
De opgeëiste persoon verklaart niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit, anders dan de OLW vereist, niet tijdens het verhoor ter zitting aangetoond.
De onschuldbewering leidt alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering. [4]
6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLWPro
Het EAB ziet op een feit dat mogelijk geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [5]
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in Duitsland is aangevangen en dat de bewijsmiddelen zich daar bevinden. Bovendien is het Openbaar Ministerie in Nederland niet voornemens om de strafvervolging over te nemen. In dat licht vormt het gegeven dat het feit mogelijk geheel of gedeeltelijk in Nederland is gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.
7.Evenredigheid
De raadsvrouw vindt dat de uitvaardiging van het EAB niet evenredig is. Het gaat om een strafbaar feit uit 2021, waar de Duitse autoriteiten geen prioriteit aan hebben gegeven. Gelet op het tijdsverloop was het passender geweest indien Duitsland voor het minder vergaand lichtere middel van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) had gekozen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitvaardiging van het EAB evenredig is. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te bepalen of een EAB of EOB wordt uitgevaardigd.
De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Duitse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan de tenuitvoerlegging van het EAB onevenredig geacht worden. [6] Hetgeen de raadsvrouw hierover heeft aangevoerd is daarvoor echter onvoldoende.
8.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 13, OLW.
10.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon] alias [alias]aan het Amtsgericht Rosenheim, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. L. Sanders en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 april 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.