Art. 17 lid 4 Wet WOZArt. 18 lid 3 sub c Wet WOZArt. 28 lid 1 Wet WOZArt. 1 GrondwetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep op fictieve WOZ-waardebeschikking voor woning in aanbouw in erfpachtovergang
Eiseres heeft verzocht om een waardebeschikking voor het belastingjaar 2015 alsof haar woning op 1 januari 2015 al was afgebouwd, om bezwaar en beroep te kunnen voeren tegen de waarde die voor de erfpachtovergang wordt gebruikt. De heffingsambtenaar stelde de waarde echter vast op de vervangingswaarde van de woning in aanbouw en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank oordeelt dat de Wet WOZ geen grondslag biedt voor het afgeven van een fictieve waardebeschikking voor een afgebouwde woning in deze situatie. De waardering moet plaatsvinden op basis van het wettelijk waardebegrip, ongeacht het doel van de waardebeschikking. Ook het beroep op bijzondere omstandigheden of op het recht op bezwaar en beroep tegen de onbezwaarde waarde faalt.
Verder is vastgesteld dat de behandeling van het bezwaar langer dan de redelijke termijn heeft geduurd. De rechtbank kent daarom een immateriële schadevergoeding toe van € 500 en veroordeelt de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de waardebeschikking op vervangingswaarde bevestigd, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/1709
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. A. Bakker),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder,
(mr. P.E.H.A. Ingenhou),
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), hierna: de Staat.
Procesverloop
Eiseres heeft met een brief van 4 november 2020 om een waardebeschikking voor het belastingjaar 2015 verzocht voor het object [adres] in Amsterdam (hierna: de woning).
De heffingsambtenaar heeft op 6 november 2020 een waardebeschikking aan eiseres afgegeven, waarbij de WOZ [1] -waarde van de woning in aanbouw voor het belastingjaar 2015 is vastgesteld op € 63.000.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres tegen de waardebeschikking op
10 februari 2021 ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
De zaak is op 19 juli 2022 behandeld op een zitting van de enkelvoudige kamer. De zaak is daarna verwezen naar de meervoudige kamer.
De zaak is op 13 februari 2023 behandeld op een zitting van de meervoudige kamer.
De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van mr. P.E.H.A. Ingenhou, bijgestaan door taxateur [de persoon] . Namens eiseres was haar gemachtigde aanwezig. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken AMS 21/6036, AMS 21/6042, en AMS 21/6043.
Overwegingen
De aanleiding voor deze procedure
1. De gemeente Amsterdam heeft aan erfpachters, waaronder eiseres, de mogelijkheid geboden over te stappen naar eeuwigdurende erfpacht of over te gaan tot afkoop van het erfpachtrecht (hierna: de overstapregeling). De hoogte van de canon of de afkoopsom wordt in de regel bepaald door de laagste van de WOZ-waarden van de woning volgens de waardebeschikkingen voor de jaren 2015 en 2016.
2. Onder andere bij woningen in aanbouw gaat de gemeente echter uit van een zogeheten ‘onbezwaarde waarde’ in plaats van de WOZ-waarde. De onbezwaarde waarde van een woning in aanbouw wordt vastgesteld op basis van de WOZ-waarde. De gemeente doet dat door de waarde van de verschillende deelobjecten te sommeren zonder toepassing van het percentage-gereed. Indien de WOZ-waarde van de woning in aanbouw niet aan bepaalde criteria voldoet, wordt de onbezwaarde waarde modelmatig bepaald. [2]
3. Eiseres heeft in het kader van de overstapregeling met een beroep op artikel 28, eerste lid, van de Wet WOZ een aanvraag ingediend tot afgifte van een voor bezwaar vatbare beschikking op haar naam voor de WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2015 (hierna: de waardebeschikking).
4. De heffingsambtenaar heeft op 6 november 2020 een waardebeschikking afgegeven, waarbij de waarde van de woning is bepaald op de vervangingswaarde, omdat de woning op 1 januari 2015 nog in aanbouw was. [3] De heffingsambtenaar heeft het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
5. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Eiseres stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat zij recht heeft op een waardebeschikking alsof de woning op 1 januari 2015 al was afgebouwd, waarbij de waarde wordt bepaald aan de hand van de vergelijkingsmethode.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank begrijpt dat het standpunt van eiseres erop neerkomt dat zij recht heeft op een (fictieve) waardebeschikking alsof de woning op 1 januari 2015 al was afgebouwd. Dit zou eiseres de mogelijkheid geven om bezwaar en beroep in te stellen tegen de hoogte van de waarde die gebruikt wordt voor de overstapregeling.
7. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. De Wet WOZ biedt namelijk geen grondslag voor het afgeven van een dergelijke (fictieve) waardebeschikking. Uit artikel 17, vierde lid, van de Wet WOZ volgt dat een woning in aanbouw gewaardeerd wordt op de vervangingswaarde. Er bestaan verder geen aanknopingspunten in de wetsgeschiedenis of de jurisprudentie voor het oordeel dat het doel waarvoor de waardebeschikking wordt afgegeven van invloed is op de wijze van waardering. Bij het vaststellen van de waarde heeft de heffingsambtenaar het wettelijk waardebegrip dus terecht als uitgangspunt genomen.
8. Volgens eiseres heeft de heffingsambtenaar de mogelijkheid om op grond van artikel 18, derde lid, onder c, van de Wet WOZ een fictieve waardebeschikking voor een afgebouwde woning af te geven, omdat door de overstapregeling sprake is van een bijzondere omstandigheid. Daargelaten of de overstapregeling als bijzondere omstandigheid kwalificeert, wijst de rechtbank erop dat deze bepaling slechts voorziet in het verleggen van de waardepeildatum (1 januari 2014) naar de toestandsdatum (1 januari 2015), zodat met waardeveranderingen gedurende het jaar rekening kan worden gehouden. Niet in geschil is dat de woning op 1 januari 2015 nog in aanbouw was, zodat deze bepaling geen grond biedt om een fictieve waardebeschikking voor een afgebouwde woning af te geven. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de gemeente Amsterdam in strijd handelt met de wijze waarop bevoegdheden in de Gemeentewet en de Wet WOZ zijn toebedeeld. Alleen de heffingsambtenaar is bevoegd om de WOZ-waarde vast te stellen bij voor bezwaar vatbare beschikking. De gemeente Amsterdam handelt in strijd hiermee door in het kader van de overstapregeling zelf een onbezwaarde waarde vast te stellen, wat eigenlijk een soort WOZwaarde is, maar waartegen geen bezwaar en beroep mogelijk is, aldus eiseres. Eiseres vindt dat de heffingsambtenaar daarom alsnog een waardebeschikking moet afgeven alsof de woning op 1 januari 2015 al was afgebouwd. De rechtbank is van oordeel dat ook deze beroepsgrond niet slaagt. Zoals de civiele rechter heeft geoordeeld, [4] wordt de onbezwaarde waarde vastgesteld in het kader van het aanbod om over te stappen naar eeuwigdurende erfpacht, wat een civielrechtelijk aanbod betreft. Er is dus geen sprake van de situatie die eiseres schetst, waarbij een ander dan de heffingsambtenaar een WOZwaarde vaststelt.
10. Eiseres voert tot slot aan dat de procedure die gevolgd kan worden tegen de vastgestelde onbezwaarde waarde met minder waarborgen is omkleed dan de bestuursrechtelijke weg van bezwaar en beroep. Tegen de hoogte van de onbezwaarde waarde kan een procedure van bedenkingen worden gevoerd, en kan worden opgekomen bij de ombudsman en de civiele rechter. Deze ongelijke behandeling van woningeigenaren is in strijd met artikel 1 vanPro de Grondwet en internationale antidiscriminatiebepalingen en antiwillekeurbepalingen. [5] Eiseres wijst op de Memorie van Toelichting bij de Wet WOZ. [6] Daarin staat dat het vanuit een oogpunt van rechtsbescherming noodzakelijk is dat ieder die de gevolgen ondervindt van een met betrekking tot de desbetreffende onroerende zaak genomen beslissing voor de belastingheffing, de mogelijkheid wordt geboden om tegen de waardebeschikking bezwaar en beroep aan te tekenen. Volgens eiseres moet daarom alsnog een waardebeschikking worden afgeven alsof de woning was afgebouwd.
11. De rechtbank overweegt dat het gerechtshof Amsterdam in de uitspraak van
1. maart 2022 [7] heeft overwogen dat bij de waardering van een woning op grond van de Wet WOZ het wettelijk waardebegrip het uitgangspunt is. Het doel waarvoor de waarde wordt vastgesteld, in dit geval als grondslag voor de overstapregeling, is niet van invloed op de wijze waarop de heffingsambtenaar de waarde dient te bepalen. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning dus terecht bepaald op de vervangingswaarde. Van strijd met de door eiseres genoemde rechtsbeginselen zoals antidiscriminatiebepalingen is derhalve geen sprake. Van de door eiseres gestelde willekeur is evenmin gebleken. Hetgeen in de Memorie van Toelichting staat en waar eiseres op wijst, heeft betrekking op het gegeven dat een nieuwe belastingplichtige een rechtsingang wordt geboden ten aanzien van een voor hem geldende waarde. Dit betekent niet dat de waarde moet worden bepaald op andere wijze dan de Wet WOZ voorschrijft. Deze beroepsgrond slaagt niet.
12. De rechtbank zal de overige beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd niet behandelen. Deze zien namelijk op de hoogte van de WOZ-waarde van de woning alsof die destijds al was afgebouwd. Eiseres bestrijdt de vastgestelde vervangingswaarde van € 63.000 voor de woning in aanbouw verder niet, zodat er geen geschil bestaat over de waarde zoals die op de afgegeven waardebeschikking staat.
13. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank op de zitting in overweging gegeven om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, zodat voor deze en de nog lopende procedures op korte termijn duidelijk is of de heffingsambtenaar al dan niet alsnog een fictieve waardebeschikking voor een afgebouwde woning moet afgeven. De rechtbank vindt het voor het beantwoorden van de rechtsvragen echter niet nodig om vragen te stellen aan de Hoge Raad. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
Immateriële schadevergoeding
15. Eiseres heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet.
16. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift van eiseres heeft ontvangen op 2 november 2020. De rechtbank doet vandaag in deze zaak uitspraak, zodat de behandeling in totaal twee jaar en ongeveer vijf maanden heeft geduurd. Dat betekent dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met afgerond een half jaar. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd toegelicht dat eiseres door het tijdsverloop last heeft gehad van spanning en frustratie. Omdat de overschrijding heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase, heeft de rechtbank na sluiting van het onderzoek de Staat aangemerkt als partij bij dit beroep, op grond van artikel 8:26 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. De minister van Justitie en Veiligheid voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. [8] De rechtbank heeft het onderzoek daarom niet heropend.
17. Voor de schadevergoeding wordt als uitgangspunt een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. De schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met vijf maanden bedraagt in dit geval dan ook € 500.
18. Omdat de rechtbank de verzochte schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn toekent, is er aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken en het griffierecht te vergoeden. [9]
19. De rechtbank bepaalt dat het door eiseres betaalde griffierecht van € 49 wordt vergoed. Aangezien de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank is toe te schrijven, moet de Staat het griffierecht vergoeden. [10]
20. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.046,25 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 19 juli 2022 en 0,5 punt voor het verschijnen op de zitting van 13 februari 2023, met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor ‘licht’, omdat de proceskostenvergoeding uitsluitend verband houdt met het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. [11] Aangezien de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank is toe te rekenen, moet de Staat de proceskosten vergoeden. [12]
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.046,25;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500;
draagt de Staat op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, voorzitter, en mr. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. M. Frishert, leden,in aanwezigheid van mr. R. Camps, griffier .De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2023.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Voetnoten
1.Wet WOZ: Wet waardering onroerende zaken.
2.Dit staat in de notitie ‘Onbezwaarde waarde, maatwerk BSQ en procedure van bedenkingen’ van 27 juni 2019.
3.In de zin van artikel 17, vierde lid, van de Wet WOZ.
5.Eiseres beroept zich op artikel 6 vanPro het EVRM (Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden), artikel 1 vanPro het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 26 vanPro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
6.Kamerstukken II, 22885, 1992-1993, nr. 3, blz. 19.