Eiser had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) om vanaf april 2020 geen Zorgverzekeringswet (Zvw)-premie meer in te houden op zijn AOW-pensioen, omdat hij volgens de SVB in Duitsland woont.
De SVB voerde een onderzoek uit waaruit bleek dat eiser niet feitelijk woonde op het in Nederland geregistreerde adres, maar een woning in Duitsland bezit en daar het merendeel van zijn tijd verblijft. Eiser betwistte dit en stelde dat hij vooral in Nederland verbleef, met een sociaal leven en zorgverzekering in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van eiser zich in Duitsland bevindt, mede gelet op zijn eigen woning daar en de inschrijving van zijn echtgenote op dat adres. De rechtbank volgde de SVB en verklaarde het beroep ongegrond.
De wijziging van de inschrijving van eiser per oktober 2021 en de verkoop van zijn Duitse woning waren niet relevant voor de beoordeling van de situatie in april 2020. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.