ECLI:NL:RBAMS:2022:8027

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juni 2022
Publicatiedatum
6 januari 2023
Zaaknummer
13/751850-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks structurele gebreken Poolse rechtsorde

De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Regionale Rechtbank in Lomza, Polen. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 7 jaar en 6 maanden, waarvan nog circa 2 jaar en 10 maanden en 20 dagen resten. De verdachte was niet verschenen bij de zittingen in Nederland, maar werd vertegenwoordigd door een raadsman.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en de inhoud van het EAB, waarbij werd vastgesteld dat de straf betrekking heeft op illegale handel in verdovende middelen, een feit opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet (OLW). De rechtbank beoordeelde de mogelijke weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro en concludeerde dat deze niet van toepassing is, aangezien de verdachte in hoger beroep vertegenwoordigd was en het hoger beroep een zekere beoordelingsbevoegdheid van de rechterlijke instantie inhield.

Verder werd getoetst aan artikel 11 OLW Pro en artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU, waarbij de rechtbank erkende dat er structurele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde die het recht op een eerlijk proces kunnen bedreigen. Echter, omdat de verdachte geen concrete aanwijzingen heeft gegeven dat deze gebreken zijn doorgewerkt in zijn zaak, is geen individueel reëel gevaar vastgesteld.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen, er geen weigeringsgronden zijn en dat de overlevering daarom moet worden toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751850-21
RK nummer: 21/4323
Datum uitspraak: 22 juni 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 augustus 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 april 2021 door
the Regional Court in Lomza, Second Penal Division(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1969
verblijfsadres: [adres] .
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 8 oktober 2021
De vordering is behandeld op de openbare zitting. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes en de raadsman van verdachte, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon is niet verschenen.
Het onderzoek ter zitting is geschorst voor onbepaalde tijd in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie naar aanleiding van de verwijzingsbeslissing van
de rechtbank van 14 september 2021 met kenmerk ECLI:NL: RBAMS:2021:5052.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd. Ook heeft zij de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor 60 dagen verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om de beslissing van een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over prejudiciële vragen die relevant zijn voor de door de rechtbank te nemen beslissing en zij daarom nog niet over de verzochte overlevering kan beslissen.
Verlengingen beslistermijn in raadkamer
De beslistermijn zoals bedoeld in artikel 23, vierde lid, OLW is in de raadkamer van de rechtbank op 17 december 2021, 23 februari 2022 en 26 april 2022 telkens verlengd met
60 dagen.
Zitting 8 juni
De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de gemachtigde raadsman van de opgeëiste persoon, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam.
De opgeëiste persoon is niet verschenen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van
the Court of Appeals in Bialystokvan 18 maart 2021 met kenmerk II K 24/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 7 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens informatie van het EAB resteren nog 2 jaar en 10 maanden en 20 dagen gevangenisstraf. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt raadsman
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is niet van toepassing aangezien uit de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon in hoger beroep is vertegenwoordigd door een gemachtigde raadsman en dat deze raadsman namens de opgeëiste persoon appel heeft ingesteld.
Standpunt officier van justitie
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is niet van toepassing aangezien de situatie van artikel 12 onder Pro b zich voordoet. De overlevering kan worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
In het EAB staat vermeld dat de behandeling van de zaak in hoger beroep buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon heeft plaatsgevonden. Voorts staat vermeld dat een door de opgeëiste persoon gemachtigde raadsman de opgeëiste persoon heeft verdedigd ter zitting in hoger beroep terwijl de opgeëiste persoon op de hoogte was van het tijdstip van de zitting.
In de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 26 augustus 2022 staat in antwoord op de vraag van het IRC of in hoger beroep is geoordeeld over schuld en straf, vermeld dat de straf in stand is gelaten. De opgeëiste persoon heeft bij de Nederlandse officier van justitie verklaard dat hij in eerste aanleg bij de behandeling van zijn zaak aanwezig is geweest.
Tevens blijkt uit de aanvullende informatie van 26 augustus 2022 dat de raadsman namens de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld en dat het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden aan de hand van de door de raadsman ingediende appelschriftuur.
De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat in eerste aanleg definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en dat in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de aard en de duur van de opgelegde straf, waarbij sprake is geweest van een zekere beoordelingsbevoegdheid van de rechterlijke instantie in hoger beroep.
Gelet op de arresten Tupikas [1] en Zdziaszek [2] van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient in dit geval zowel voor de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep te worden onderzocht of artikel 12 OLW Pro van toepassing is.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat voor wat betreft de procedure in eerste aanleg niet hoeft te worden getoetst of de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro zich voordoet nu de opgeëiste persoon verklaart aanwezig te zijn geweest bij het proces in eerste aanleg. Voor wat betreft de procedure in hoger beroep doet de situatie als bedoeld onder 12, onder b, OLW zich voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro geen toepassing vindt.

5.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [3]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Lomza, Second Penal Division(Polen) voor de feiten zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en S.E. Bauduin, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juni 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

3.. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
4.. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (