Uitspraak
- antwoord met producties;
- instructievonnis;
- dagbepaling mondelinge behandeling.
1.Feiten
2.De vordering en het verweer
op rechtsverwerking:zij mocht er op basis van de verklaringen en gedragingen van [eiser] op vertrouwen dat [eiser] geen vordering tot nakoming en/of schadevergoeding zou instellen: hij heeft zeven jaar (van medio 2013 tot november 2020) niet geprotesteerd, noch aanspraak gemaakt op de leaseauto gemaakt.
3.De beoordeling
voortijdigeindigen van de bepaalde tijd in het leasecontract maakt dat niet anders. [eiser] spreekt daarnaast immers in zijn e-mail van 16 mei 2013 (rov. 1.3) over “een verworven recht” en hij stelt in zijn e-mail van 18 juni 2013 (rov. 1.6) dat “feitelijk contractbreuk” wordt gepleegd. Ook doet aan de vaststelling dat [eiser] in voldoende mate bezwaar heeft gemaakt tegen de afschaffing van het recht op een leaseauto niet af dat [eiser] de brief van 4 juni 2013 van Rabobank (rov. 1.5) voor “gezien” heeft getekend: dit impliceert immers niet dat hij met de inhoud daarvan heeft ingestemd. Het feit dat [eiser] de leaseauto vervolgens zonder nader protest op 31 mei 2015 heeft ingeleverd en dat hij bij functiewijziging daarna niet meer over de leaseauto is begonnen maakt dat evenmin anders: gelet op de tussen partijen bestaande gezagsverhouding en het feit dat Rabobank uitdrukkelijk te kennen had gegeven niet van standpunt te zullen veranderen kan [eiser] niet worden tegengeworpen dat hij niet is blijven volharden in zijn protest.