ECLI:NL:RBAMS:2022:7317

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 oktober 2022
Publicatiedatum
7 december 2022
Zaaknummer
13/188058-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks gelijkstellingsverweer

De rechtbank Amsterdam behandelde op 28 september 2022 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan België, gebaseerd op een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. De opgeëiste persoon werd verdacht van deelneming aan een criminele organisatie en georganiseerde of gewapende diefstal.

De verdediging voerde aan dat het EAB niet genoegzaam was en stelde een gelijkstellingsverweer in op grond van artikel 6, derde lid, Overleveringswet (OLW), waarbij werd betoogd dat de opgeëiste persoon als Nederlander moest worden behandeld vanwege zijn langdurig verblijf in Nederland. De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende feitelijke beschrijving bevatte en dat het gelijkstellingsverweer niet slaagde, mede gelet op het advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dat de opgeëiste persoon waarschijnlijk zijn verblijfsrecht in Nederland zou verliezen bij veroordeling.

Verder werd geen weigeringsgrond op grond van artikel 13 OLW Pro vastgesteld en achtte de rechtbank de detentieomstandigheden in België, mede op basis van een algemene detentiegarantie, toereikend om onmenselijke behandeling te voorkomen. Gezien deze omstandigheden werd de overlevering toegestaan en uitgesproken dat tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe op grond van een genoegzaam Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/188058-22
RK nummer: 22/3871
Datum uitspraak: 12 oktober 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 juli 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 mei 2022 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 september 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. Habib, advocaat te Zoetermeer, die waarneemt namens zijn kantoorgenoot, mr. T. Kocabas.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In
Form Abehorende bij het EAB wordt melding gemaakt van een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek dat - is uitgevaardigd door een onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (België) op 19 mei 2022 (referentie: 2021/148).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Genoegzaamheid

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is, omdat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon slechts te linken is aan een telefoonnummer en niet op andere wijze is gelinkt aan het feit. Het lijstfeit ‘deelneming aan een criminele organisatie’ is aangekruist, terwijl de feitsomschrijving ziet op ontploffing. Uit het EAB blijkt onvoldoende dat de opgeëiste persoon betrokken zou zijn bij een criminele organisatie. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het EAB een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten bevat. Het is voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De opgeëiste persoon wordt verdacht van deelneming aan een criminele organisatie en een georganiseerde of gewapende diefstal, zoals - inclusief pleegdata en pleegplaatsen - is omschreven in onderdeel e) van het EAB. De omschrijving van de feiten is zodanig dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan en of de nalevering van het specialiteitsbeginsel kan worden gewaarborgd. De omschrijving van de feiten in het EAB voldoet dan ook aan de eisen gesteld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e van de OLW en is daarmee genoegzaam. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

5.Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder de nummers 1 en 18, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie
georganiseerde of gewapende diefstal
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

6.Artikel 6, derde lid, OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Daartoe heeft de raadsman onder meer een BRP-uittreksel overgelegd, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland is geboren en sindsdien ook altijd in Nederland heeft gewoond.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft hiertegen aangevoerd dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander. De overgelegde stukken met betrekking tot het inkomen zien alleen op de jaren 2019, 2020 en 2021, waardoor niet kan worden vastgesteld de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Een BRP-inschrijving sinds de geboorte van de opgeëiste persoon is onvoldoende om dit te concluderen. De overlevering kan worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek kan op basis van artikel 6, eerste en derde lid, OLW worden toegestaan wanneer is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
hij kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten welke aan het EAB ten grondslag liggen
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft op 24 augustus 2022 het volgende bericht
Betrokkene heeft de Turkse nationaliteit. Sinds zijn geboorte in Nederland is het verblijf rechtmatig. Sinds 7 december 2000 is de heer [opgeëiste persoon] in het bezit van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De geldigheidsduur is laatstelijk verlengd tot 29 april 2025. (…)
Op basis van de door de raadsman overgelegde stukken en bovengenoemd bericht is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon over een duurzaam verblijfsrecht beschikt, omdat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon is geboren in Nederland en heeft sinds 7 december 2000 beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij voldoet dus aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke aan het EAB ten grondslag liggen. Gelet op artikel 7, derde lid en artikel 86b Wetboek van Strafrecht is ook aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander voldaan.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of is voldaan aan de derde voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank mede aan de hand van informatie van de IND.
De IND heeft in voornoemd bericht van 24 augustus 2022 het volgende opgenomen:
(…)
Op de heer [opgeëiste persoon] is de veelplegersnorm van toepassing zoals neergelegd in artikel 3.86, lid 5, van het Vreemdelingenbesluit. Met de voorziene eis van 25 maanden zou de totale gevangenisstraf de maximaal toelaatbare veertien maanden overschrijden. Hoewel de verblijfsduur langer dan tien jaar is, staat artikel 3.86, lid 10 niet aan intrekking in de weg omdat er ook een veroordeling is voor een drugsdelict met een strafmaximum van zes jaar of meer (2018).
(…)
Vooralsnog zijn geen omstandigheden bekend die zich in doorslaggevende mate tegen verblijfsbeëindiging verzetten. De verwachting dat het verblijfsrecht niet zal worden ingetrokken heb ik op basis van de mij nu bekende gegevens niet.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het bericht van de IND onvoldoende is om te concluderen dat niet aan de laatste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan nu het gaat om een verwachting en er bovendien geen rekening is gehouden de persoonlijke feiten en omstandigheden van de opgeëiste persoon, wat volgens de IND mogelijk tot een andere uitkomst zou leiden.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Uit artikel 6, derde lid, OLW blijkt dat alleen vereist is dat de verwachting wordt uitgesproken dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet verliest. De wetgever heeft daarmee aan de overleveringsrechter een beoordeling met een voorlopig karakter opgedragen. Daarbij is al rekening gehouden met de mogelijkheid dat de beoordeling door de IND over de vraag of de opgeëiste persoon na een veroordeling daadwerkelijk zijn verblijfsrecht zal verliezen, afwijkt van de beoordeling in voornoemd advies.
Gelet op voornoemd bericht van de IND kan niet worden gezegd dat ten aanzien van de opgeëiste persoon niet de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Er is dus niet voldaan aan de derde voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander, zodat geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6 OLW Pro.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat artikel 13 OLW Pro van toepassing is, omdat niet kan worden vastgesteld dat de feiten zich alleen op het grondgebied van België hebben afgespeeld, terwijl het niet ondenkbaar is dat de voorbereidingen hebben plaatsgevonden in Nederland. De vervolging kan dus ook in Nederland plaatsvinden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 13 OLW Pro niet van toepassing is, omdat uit het EAB niet blijkt dat de feiten zich geheel of gedeeltelijk in Nederland hebben afgespeeld.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 13 OLW Pro niet van toepassing is.

8.Detentieomstandigheden

Bij uitspraak van 22 juni 2021 [1] heeft de rechtbank in een andere zaak geconcludeerd dat in België een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in een instelling waar sprake is van grondslapers, waardoor de minimale persoonlijke ruimte van 3m2 in een meerpersoonscel niet meer is gewaarborgd, alsmede waar sprake is van niet-afgeschermde toiletten in meerpersoonscellen. De detentie-instellingen waar hiervan sprake is, zijn: Antwerpen, Gent, Brugge, Oudenaarde, Hasselt, Dendermonde en Mechelen.
De rechtbank stelt voorts vast dat bij brief van 9 september 2021, afkomstig van de Directeur-generaal bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden van het Belgische ministerie van Justitie een algemene detentiegarantie is gegeven:
Als algemene regel, kunnen in België de volgende algemene waarborgen gegeven worden bij een overlevering in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel:
- De overgeleverde persoon zal in een cel worden opgesloten waarvan de oppervlakte en de inrichting beantwoorden aan de normen van het CPT van de Europese Raad (minimum 3m2). Dit zowel wanneer hij alleen verblijft in een cel als wanneer hij een daarvoor aangepaste en grotere cel deelt met een andere persoon.
- De sanitaire blokken, doorgaans voorzien van een wasbak en toilet, zijn afgescheiden van de rest van de cel door een muur of door een scherm. Soms is er ook een douche voorzien. In dat geval is het sanitair complex afgescheiden van de rest van de cel.
Eerder in deze brief is ten aanzien van gevangenissen waar gedetineerden op een extra matras slapen, ofwel waar de ‘grondslapers-problematiek’ zich voordoet, over de celruimte en de sanitaire blokken de volgende opmerking gemaakt:
Bovendien garanderen wij dat in de gevangenissen waarin dit fenomeen zich voordoet, er zal op toegezien worden dat de overgeleverden niet zullen worden opgesloten in een dergelijke afdeling zodat de overgeleverde personen ten minste over 3m2 personal space beschikken exclusief de sanitaire blokken.
In haar uitspraak van 7 oktober 2021 [2] heeft de rechtbank overwogen dat de hiervoor genoemde brief van de Belgische autoriteiten van 9 september 2021 in elke overleveringszaak geldig is, zoals de Belgische autoriteiten in bedoelde brief hebben bevestigd, en dat het om die reden niet noodzakelijk is dat voor elke individuele opgeëiste persoon een detentiegarantie wordt opgevraagd.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de verstrekte detentiegaranties. [3] De rechtbank is van oordeel dat het reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling dat zij ten aanzien van voornoemde penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, hiermee is weggenomen voor de opgeëiste persoon.

9.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

10.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (België) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E.G.M.M. van Gessel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 oktober 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 22 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3243.
2.Rechtbank Amsterdam 7 oktober 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5759.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak