Eiser, woonachtig in België, vroeg op 4 mei 2019 AOW-pensioen aan en kreeg dit aanvankelijk toegekend volgens de gehuwdennorm. Na een wijzigingsformulier waarin eiser aangaf duurzaam gescheiden te leven vanaf 8 december 2019, wijzigde de Sociale Verzekeringsbank het pensioen per 1 maart 2021 naar de alleenstaandennorm. Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij al vanaf juli 2020 duurzaam gescheiden leefde, met onderbouwing van feitelijke omstandigheden zoals het niet meer samenwonen en het inschakelen van een scheidingsmanager.
De rechtbank overwoog dat duurzaam gescheiden leven volgens vaste rechtspraak betekent dat ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof men niet gehuwd is, en dat dit ondubbelzinnig uit feiten moet blijken. Fysiek samenwonen is niet noodzakelijk, maar een voornemen tot scheiding is onvoldoende. De rechtbank concludeerde dat uit de feiten niet ondubbelzinnig blijkt dat eiser vóór maart 2021 duurzaam gescheiden leefde, mede omdat eiser tot die tijd financiële bijdragen leverde en regelmatig contact had met zijn ex-echtgenote.
De morele verplichting en onderlinge zorg die eiser aanvoert, zijn begrijpelijk maar sluiten duurzaam gescheiden leven vóór maart 2021 uit. Het besluit van verweerder om het pensioen pas vanaf die datum te wijzigen is daarom terecht. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.