ECLI:NL:RBAMS:2022:6463

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 november 2022
Publicatiedatum
8 november 2022
Zaaknummer
13/223220-22
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 3 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
Verwijzingen
18 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks algemeen gevaar voor Poolse rechtsstaat

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 oktober 2022 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Warschau. De verdachte werd verdacht van een strafbaar feit onder de Poolse wet, dat ook in Nederland strafbaar is volgens de Opiumwet.

De verdediging voerde aan dat overlevering niet toegestaan mocht worden vanwege het risico op schending van het recht op een eerlijk proces, verwijzend naar structurele problemen binnen de Poolse rechterlijke macht, met name in de regio Łódź. De officier van justitie stelde echter dat er geen concreet individueel gevaar voor de verdachte was aangetoond.

De rechtbank concludeerde dat hoewel er sprake is van een algemeen reëel gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen, de verdachte geen specifieke omstandigheden had aangevoerd die een individueel risico aannemelijk maken. Daarom is er geen reden om de overlevering te weigeren.

De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat er geen weigeringsgronden zijn. De overlevering van de verdachte aan Polen werd daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe omdat geen concreet individueel gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces is aangetoond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/223220-22
RK nummer: 22/4106
Datum uitspraak: 1 november 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 september 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op
15 juni 2022 door de
Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats 1] (Polen) op [geboortedag] 1973,
ingeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 oktober 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
decision of the District Court for Warsaw- Śródmieście in Warsawvan 18 juli 2019 met referentie
II Kp 1906/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het EAB geen gevolg moet worden gegeven op grond van artikel 11 OLW Pro. De raadsman verwijst daarbij naar een brief van
21 september 2022 van de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon. Uit die brief blijkt dat het aannemelijk is dat berechting plaats zal vinden in Łódź. Bij deze rechtbank in Łódź hebben onder andere tuchtrechtelijke procedures tegen rechters gespeeld en is de president ontslagen. Aannemelijk is dat deze rechters inmiddels zijn vervangen door regeringsgezinde rechters. Bij overlevering dreigt daarom een schending van het recht op een eerlijk proces. Omdat het gaat om rechters die op individueel niveau moeten beslissen over de zaak van de opgeëiste persoon, is er niet alleen sprake van een algemeen gevaar, maar ook van een individueel gevaar.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er in het geval van de opgeëiste persoon niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een individueel gevaar op schending van zijn grondrechten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [1]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen. [2]

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 140 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10, 11, 11b Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en J. van Zijl, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 1 november 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
2.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100