ECLI:NL:RBAMS:2022:5759

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 oktober 2022
Publicatiedatum
7 oktober 2022
Zaaknummer
13/179595-22
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
Verwijzingen
17 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks mogelijke weigeringsgrond

De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 september 2022 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse rechtbank in Lublin. De verdachte werd gezocht voor de uitvoering van een onherroepelijk vonnis tot een gevangenisstraf van één jaar en twee maanden.

Hoewel het EAB werd uitgevaardigd zonder dat de verdachte persoonlijk aanwezig was bij het proces en zonder dat de in artikel 12 OLW Pro genoemde weigeringsgronden duidelijk waren vervuld, besloot de rechtbank af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. Dit op basis van aanvullende informatie waaruit bleek dat de verdachte in het vooronderzoek was gehoord, op zijn rechten was gewezen en een adres had opgegeven waar de oproeping voor de zitting naartoe was gestuurd.

De rechtbank concludeerde dat de verdachte op de hoogte was van de procedure en dat overlevering geen schending van zijn verdedigingsrechten inhoudt. Tevens werd vastgesteld dat de feiten waarvoor overlevering werd verzocht, dubbele strafbaarheid kennen onder Nederlands recht, namelijk eenvoudige belediging en wederspannigheid jegens een ambtenaar.

Hoewel er sprake is van structurele zorgen over de Poolse rechtsorde, heeft de verdachte geen concrete aanwijzingen geleverd dat dit zijn zaak individueel heeft beïnvloed. De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan en wees op het ontbreken van een rechtsmiddel tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks mogelijke weigeringsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/179595-22
RK nummer: 22/3561
Datum uitspraak: 4 oktober 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 juli 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 mei 2022 door
the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Lublin(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 september 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman, en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. G. Demir, advocaat te Gilze. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De raadsman heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk gemachtigd te zijn om namens hem het woord te voeren.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van de
District Court (Sąd Rejonowy) in Puławyvan 2 februari 2021 (referentienummer: II K 1049/19). Het vonnis is onherroepelijk geworden op 10 februari 2021.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd, nu uit het EAB blijkt dat de omstandigheden zoals genoemd in artikel 12, sub a tot en met sub d, OLW zich niet hebben voorgedaan. De opgeëiste persoon heeft al jaren geen contact meer met zijn broer en kan zich niet voorstellen dat hij het adres van zijn broer heeft doorgegeven als correspondentieadres. Mocht de oproeping naar het adres van de broer van de opgeëiste persoon zijn verzonden, dan blijkt uit de informatie niet dat de broer ook daadwerkelijk de oproeping in ontvangst heeft genomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan. Hoewel geen sprake is van de omstandigheden van artikel 12, sub a tot en met d, OLW, dient de rechtbank op basis van de aanvullende informatie af te zien van toepassing van de weigeringsgrond.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie in de brieven van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 augustus 2022 en 16 augustus 2022 volgt onder meer dat de opgeëiste persoon in het voorbereidend onderzoek is verhoord op 28 april 2019 en dat hij tijdens dit verhoor is gewezen op zijn rechten en plichten, waaronder de inhoud van artikel 139 van Pro het Poolse Wetboek van Strafvordering. De opgeëiste persoon heeft voormelde instructie ontvangen en ook voor ontvangst getekend en een adres opgegeven. De oproeping voor de zitting bij de rechtbank is naar dat adres gestuurd. Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht, dat hij er rekening mee moest houden dat hij op dat adres officiële correspondentie over (het vervolg van) de procedure zou ontvangen, en dat de oproeping ook daadwerkelijk naar dat adres is verstuurd.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, gaat de rechtbank, gelet op het vertrouwensbeginsel, uit van de juistheid van voormelde informatie en hoeft er geen bewijs van de uitvaardigende justitiële autoriteit te worden overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk het in de aanvullende informatie vermelde adres heeft opgegeven.
Gelet op de omstandigheden die naar voren komen in de aanvullende informatie, die, minst genomen, een kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid aan de kant van de opgeëiste persoon aantonen, ziet de rechtbank aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt. Het verweer slaagt niet.

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met uitzondering van leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen,
en:
wederspannigheid.
5. Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [1]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [2]

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 180, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 van de OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Lublin(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 4 oktober 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
2.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (