De rechtbank Amsterdam behandelde op 15 september 2022 de vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren. De opgeëiste persoon werd verdacht van moord en doodslag, strafbare feiten die volgens het Belgische recht een vrijheidsstraf van ten minste drie jaar kunnen opleveren.
De verdediging voerde aan dat overlevering zou leiden tot schending van grondrechten, omdat het Belgische rechtssysteem niet voorziet in een interneringsmaatregel bij verminderde toerekeningsvatbaarheid, wat kan resulteren in een lange gevangenisstraf zonder passende psychiatrische zorg. De officier van justitie betoogde dat er geen reëel gevaar is op onmenselijke behandeling en dat de persoon na veroordeling naar Nederland kan terugkeren voor medische zorg.
De rechtbank oordeelde dat het Belgische strafrecht een gedegen onderzoek naar toerekeningsvatbaarheid waarborgt en dat het enkele ontbreken van een interneringsmaatregel voor gedeeltelijke ontoerekeningsvatbaarheid onvoldoende is om de overlevering te weigeren. Daarnaast nam de rechtbank de algemene detentiegarantie van België in acht, die waarborgt dat de opgeëiste persoon niet in problematische gevangenissen wordt geplaatst.
Gezien het voldoen aan de wettelijke eisen en het ontbreken van gegronde weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.