ECLI:NL:RBAMS:2022:4758
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens ontbreken onmiddellijk in- en uitstappen
Eiser kreeg op 18 januari 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van Amsterdam. Na een bezwaarprocedure verklaarde de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De kern van het geschil betrof de vraag of eiser geparkeerd stond of dat er sprake was van onmiddellijk in- en uitstappen, een uitzondering op het betalen van parkeerbelasting. De rechtbank stelde vast dat het op de plek waar eiser stond, betalen voor parkeren verplicht is, tenzij onmiddellijk in- en uitstappen of laden/lossen plaatsvindt.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor het aannemelijk maken van onmiddellijk in- en uitstappen bij eiser lag. De overgelegde scanfoto’s toonden een stilstaande auto met gesloten deuren en zonder zichtbare personen, wat niet voldeed aan deze bewijslast. Ook de stelling van eiser dat iemand was uitgestapt werd niet nader onderbouwd.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat handelingen zoals het kiezen van een versnelling, verwijderen van de handrem en instellen van de navigatie wijzen op parkeren. Vaste rechtspraak bevestigt dat ook kort stilzetten voor dergelijke handelingen als parkeren wordt aangemerkt.
Gelet op het stilstaan van de auto in het parkeervak en het ontbreken van bewijs voor onmiddellijk in- en uitstappen, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is ongegrond verklaard omdat geen sprake was van onmiddellijk in- en uitstappen.