ECLI:NL:RBAMS:2022:4087

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 juli 2022
Publicatiedatum
15 juli 2022
Zaaknummer
13/109912-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks niet-verschijnen opgeëiste persoon

De rechtbank Amsterdam behandelde op 22 juni 2022 de vordering tot overlevering van een persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon werd verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder diefstal en overtredingen van de Opiumwet, waarvoor hij een gevangenisstraf van 1 jaar en 6 maanden moet uitzitten.

Hoewel de opgeëiste persoon niet bij alle procedures in Polen persoonlijk is verschenen, heeft de rechtbank vastgesteld dat hij adequaat geïnformeerd was over zijn rechten en plichten, en dat hij op zijn opgegeven adres bereikbaar moest zijn voor de Poolse justitiële autoriteiten. Er zijn geen omstandigheden aanwezig die de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro kunnen weigeren.

De rechtbank heeft ook onderzocht of er sprake is van een reëel gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces in Polen. Hoewel er structurele gebreken in de Poolse rechtsorde zijn, heeft de opgeëiste persoon geen concrete aanwijzingen aangevoerd dat deze gebreken zijn zaak hebben beïnvloed.

Gelet op het voldoen aan de wettelijke vereisten en het ontbreken van weigeringsgronden, heeft de rechtbank de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam heeft de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/109912-22
RK nummer: 22/2322
Datum uitspraak: 6 juli 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 mei 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 januari 2021 door
the Regional Court Judge, Head of the IIIrd Criminal Division in Szczecin(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1999,
verblijvende op het adres: [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
final non-appealable cumulative judgement of the District Court in Mysliborzvan 6 augustus 2020, referentienummer II K 681/19.
Aan het EAB ligt een verzamelvonnis ten grondslag. De aanvullende informatie van
the Regional Court in Szczecinvan 10 juni 2022 vermeldt dat aan het verzamelvonnis de volgende vonnissen ten grondslag liggen:
  • II K 69/17: gewezen door
  • II K 798/17: gewezen door
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 5 maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Zowel de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen, waarbij onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon, op grond waarvan hem vrijheidsstraffen zijn opgelegd, als het verzamelvonnis waarbij de duur van de straffen is gewijzigd en waarbij de bevoegde rechterlijke autoriteit over een beoordelingsmarge heeft beschikt, moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro.
Ten aanzien van het verzamelvonnis met referentieII K 681/19van 6 augustus 2020
De rechtbank stelt aan de hand van het EAB vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de procedure die tot het verzamelvonnis van 6 augustus 2020 heeft geleid, en dat zich geen van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
Ten aanzien van het vonnis met referentieII K 69/17van 28 april 2017
Uit de aanvullende informatie van 10 juni 2022 en de verklaring van de opgeëiste persoon bij zijn voorgeleiding bij de Nederlandse officier van justitie blijkt dat hij op een van de zittingen aanwezig was. Voor zover de zaak op die zitting niet inhoudelijk, ten gronde is behandeld, geldt dat zich geen van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
Ten aanzien van het vonnis met referentie II K 798/17 23 april 2018
De rechtbank stelt aan de hand van de aanvullende informatie van 10 juni 2022 vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de procedure die tot het vonnis van 23 april 2018 heeft geleid, en dat zich geen van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de in het EAB en de aanvullende informatie beschreven gang van zaken als juist erkend en een in algemene zin geformuleerd beroep op artikel 12 OLW Pro gedaan en verzocht om de overlevering te weigeren.
Standpunt van de officier van justitie
De overlevering dient te worden toegestaan. De opgeëiste persoon is namelijk aanwezig geweest op de zitting in een van de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen. Ten aanzien van het andere onderliggende vonnis en het verzamelvonnis heeft de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten prijsgegeven. Hij is namelijk geïnstrueerd over zijn rechten en verplichtingen en de consequenties van een verzuim om zijn huidige adres voor betekening door te geven.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro te weigeren om de volgende redenen.
In de aanvullende informatie van 10 juni 2022 is vermeld dat de opgeëiste persoon, ten aanzien van de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, is gehoord als verdachte. Tijdens dit verhoor is hij geïnstrueerd over zijn rechten en verplichtingen alsmede over de consequenties van een verzuim om zijn huidige adres voor betekening door te geven. Het EAB vermeldt verder onder rubriek D), met een verwijzing naar artikel 139 van Pro de Poolse
Code of Criminal Procedure,dat die instructies eveneens gelden voor het verzamelvonnis.
De opgeëiste persoon is er dus van op de hoogte gesteld dat hij op het door hem opgegeven adres bereikbaar voor de Poolse justitiële autoriteiten moest zijn alsmede dat hij een eventuele adreswijziging aan de justitiële autoriteiten moest doorgeven. Tevens is hem meegedeeld dat de dagvaarding die op het door hem opgegeven adres wordt uitgereikt als correct betekend wordt aangemerkt. Verder blijkt ook dat de oproepingen voor de zitting voorafgaand aan het vonnis van 23 april 2018 en het verzamelvonnis van 6 augustus 2020 zijn verstuurd naar het adres dat de opgeëiste persoon zelf tijdens de voorbereidende procedures heeft opgegeven. Overlevering houdt daarom naar het oordeel van de rechtbank geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in omdat, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Diefstal in vereniging;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [1]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [2]

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court Judge, Head of the IIIrd Criminal Division in Szczecin(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. P. van Kesteren en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van V.J.G. van der Want, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
2.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (