De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 april 2022 de vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België, op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in Namen. De opgeëiste persoon werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen, een feit dat op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet staat en waarvoor een gevangenisstraf van ten minste drie jaar geldt.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. De termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank op het verzoek moest beslissen was verstreken, waardoor geen grondslag meer bestond voor gevangenhouding. De Belgische autoriteiten boden een terugkeergarantie aan, waarbij de opgeëiste persoon na onherroepelijke veroordeling in België zijn straf in Nederland mag ondergaan.
De rechtbank beoordeelde ook de detentieomstandigheden in België. Na eerdere uitspraken over onmenselijke omstandigheden in bepaalde Belgische gevangenissen, erkende de rechtbank de algemene detentiegarantie van de Belgische autoriteiten dat de opgeëiste persoon niet in dergelijke omstandigheden zal worden opgesloten. Hiermee was het reële gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling weggenomen.
Gezien het voldoen aan de formele eisen van de Overleveringswet, het ontbreken van weigeringsgronden en de geboden garanties, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.