ECLI:NL:RBAMS:2022:2283
Rechtbank Amsterdam
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van btw-fraude in internationale handelsketens
De rechtbank Amsterdam behandelde een strafzaak tegen een rechtspersoon die werd verdacht van het opzettelijk doen van onjuiste btw-aangiften in verband met leveringen aan Britse afnemers die mogelijk btw-fraude pleegden. Het onderzoek richtte zich op de vraag of de verdachte wist of had moeten weten dat zij deelnam aan een keten van btw-carrouselfraude.
Tijdens de inhoudelijke behandeling werden diverse bewijsmiddelen besproken, waaronder informatie van de Britse belastingdienst (HMRC), WhatsApp-berichten en kenmerken van btw-carrouselfraude. De rechtbank concludeerde dat de HMRC-kwalificaties van afnemers als 'missing traders' onvoldoende bewijs vormen voor fraude in de handelsketen met de verdachte. Ook de WhatsApp-berichten en de genoemde fraudekenmerken boden geen overtuigend bewijs van wetenschap of deelname aan fraude.
De rechtbank benadrukte dat het fiscale criterium 'wist of had moeten weten' niet automatisch leidt tot strafrechtelijke opzet. Gezien het ontbreken van bewijs dat de verdachte bewust onjuiste aangiften heeft gedaan, sprak de rechtbank de verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De overige verweren van de verdediging werden niet verder besproken vanwege deze vrijspraak.
Uitkomst: De rechtbank spreekt de verdachte rechtspersoon vrij wegens onvoldoende bewijs van btw-fraude en wetenschap daarvan.